136. Over woede

Posted on 11 feb 2017 in Blog, Featured, Uncategorized

136. Over woede

In december bracht de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum een bezoek aan Nederland, waarbij ze ook Nijmegen aandeed. Een volle schouwburg kon op 12 december horen hoe ze in een uurtje haar nieuwe boek, Anger and Forgiveness, samenvatte.

Wat is de strekking van haar boek?
Nussbaum is erg kritisch over de emotie woede. Ze vindt dat die in onze maatschappij veel te positief gewaardeerd wordt. Boosheid wordt als teken van kracht gezien: jij laat tenminste niet over je heen lopen! Nussbaum stelt daar tegenover dat woede morele gebreken heeft, waarvan het verlangen naar wraak het belangrijkste is.

Unknown

In woede, stelt Nussbaum, zit altijd het verlangen naar wraak – naar vergelding, payback. Als mij iets wordt aangedaan, wil ik dat de dader ook schade ondervindt. Al dan niet door mijn eigen toedoen.
Volgens Nussbaum is dit een irrationeel verlangen. Als iemand mij pijn heeft gedaan – zeg door een geliefde te vermoorden – kan dat niet ongedaan worden gemaakt door de dader pijn te doen. Mijn geliefde komt niet terug door de moordenaar terecht te stellen.
Denken dat wraak iets goedmaakt, noemt Nussbaum magisch denken.

Er zijn twee elementen in woede die volgens Nussbaum wel rationeel zijn: statusbescherming en wat ze ’transitie’ noemt.
Statusbescherming heeft te maken met iemands relatieve positie. Als iemand mij openbaar vernedert, bijvoorbeeld, kan het een rationele reactie zijn om daar heel kwaad om te worden. Wanneer de ander daarvoor terugschrikt, is mijn door de vernedering aangetaste status weer hersteld.
Maar let op, zegt Nussbaum. Het gevaar bij deze rationele vorm van woede is dat je jouw eigen status te belangrijk maakt en dat je in elke uiting een aantasting van je eer ziet. Dan mag je woedende verdediging wel rationeel zijn (en zelfs effectief), maar toch moreel twijfelachtig.
De andere vorm van verdedigbare woede is (in een door haar gemunte term) ’transitie woede’. Dit is de woede die niet tegen een persoon gericht is, maar tegen een bepaalde onrechtvaardige toestand. Dit is woede zonder de behoefte aan vergelding, waarbij de hele inhoud van het gevoel is ‘Wat schandalig! Hier moet iets aan gebeuren.’

Transitie-woede is volgens Nussbaum de enige ‘rechtvaardige’ woede. Zo gauw er een kruimeltje wraak in belandt, wordt woede volgens haar problematisch.

Is gewone huis, tuin en keuken-woede dan nergens goed voor? Mwah, zegt Nussbaum, er zitten aan woede een paar kanten die – als middel – nuttig kunnen zijn. Boosheid kan een signaal zijn dat er iets mis is, een motivatie om aan ontoelaatbare toestanden iets te doen en het kan ‘boosdoeners’ afschrikken.
Dit nut, zegt Nussbaum, is echter zeer beperkt, omdat de drie voordelen doorgaans teniet worden gedaan door de ‘wraak fantasie’ of de verkeerde waarden van een status-obsessie.
Samenvattend: woede “is highly likely to lead us astray.”

Het nut van vergelding
De nadelen van woede, in Nussbaums ogen, mogen nu helder zijn. Is daarmee alles gezegd, of valt er op haar visie wel wat af te dingen?

Woede kan zeker de plank misslaan, daarin heeft Nussbaum een punt. Zoals Seneca in zijn analyse van De Ira al duidelijk maakte, kan woede zich vergissen; of te hevig zijn; of te lang aanhouden.
Ik zou een paar van Seneca’s voorbeelden kunnen geven, (ik heb eerder een voorbeeld bewerkt) maar wil op deze plek liever verwijzen naar het heerlijke boek van Toon Tellegen, Is er dan niemand boos?.

Unknown

In zijn boek toont Tellegen een aantal gevallen waar het met boosheid helemaal misgaat.
De klipdas is boos op de zon, omdat die ondergaat.
De olifant is boos op zichzelf, omdat hij iets doet wat hij zelf wil (en niet wil).
Het aardvarken is altijd boos (behalve als hij op zijn hoofd staat).
De spitsmuis is boos, omdat de eekhoorn niet boos op hem wordt.

In deze verhalen slaat de woede de plank mis – en is niet, zoals Aristoteles zou eisen, de juiste woede bij de juiste gelegenheid, in de juiste mate. (Overigens gaat het verhaal De muis over passende vormen van woede.)
Tellegens dieren geloven echter niet, zoals Nussbaum, dat boosheid iets is dat je moet zien te vermijden. Integendeel, er zijn zelfs verhalen van dieren die juist proberen boos te worden, omdat ze dat een keer mee willen maken.
De egel schrijft ‘ik ben boos’ op een briefje, omdat je immers wel boos moet zijn, als je zoiets schrijft.
De krekel probeert een situatie te verzinnen waarin hij boos zou kunnen worden op de tor.

Geen enkel verhaal suggereert dat boosheid er maar beter niet zou kunnen zijn. Sterker nog, als (in het titelverhaal) op een dag alle boosheid weg is, wordt dat door iedereen als een groot probleem ervaren.

De krekel vroeg aan de olifant wat hij moest zijn als de olifant bij het dansen weer op zijn tenen trapte: ‘Dankbaar? Opgetogen?’
De olifant keek hem onzeker aan en haalde zijn schouders op.

De moraal van dit verhaal is ongetwijfeld een Aristoteliaanse: dat er bij elke situatie een passende reactie bestaat en dat woede – van grijze ergernis tot sneeuwwitte razernij – soms de passende reactie is. En dat bij gebrek aan boosheid, we niets kunnen met verdriet, of gelukzaligheid, of beduusdheid. Dat zijn emoties voor andere situaties.

Dit sluit aan bij wat ik een paar weken geleden schreef: dat emoties een rol vervullen als signaal tussen mensen en dat ze onze wereld betekenis geven.
We kunnen emoties daarom niet missen, ook niet de negatieve.

De bioloog Robert Trivers heeft in de jaren zeventig een theorie ontwikkeld die verklaart hoe emoties kunnen ontstaan in het contact tussen mensen.
In het kort: bij ontmoetingen tussen mensen die niet met elkaar verwant zijn, is er sprake van een een situatie die we herkennen als een prisoner’s dilemma. Beide partijen hebben de keuze tussen Samenwerken (jij geeft mij wat, ik geef jou wat) en Verraden (jij geeft mij wat, ik geef jou niks). Voor ons als individuen is het het voordelig om een profiteur te zijn tegenover een samenwerker – maar helaas geldt dat ook voor de ander. En als we allebei Verraden (jij geeft mij niks, ik geef jou ook niks) worden we er allebei ook niet beter van. Terwijl Samenwerken (ik geef jou een banaan, jij geeft mij een slok water) wel voor allebei wat oplevert.
Trivers beredeneerde dat het in deze situatie helpt om ‘morele’ emoties te ontwikkelen, die samenwerken belonen en verraden afstraffen. Bijvoorbeeld dankbaarheid jegens degene die samenwerkt, of een gevoel van schuld als we zelf iemand hebben verraden. En woede, als de ander jou verraadt terwijl jij hebt samengewerkt.

In dit samenspel van wederzijdse emoties (behalve de bovengenoemde ook aardig vinden, sympathie en schaamte) is het moeilijk voorstelbaar dat we het helemaal zonder één van deze emoties zouden kunnen doen. Ze hangen namelijk onverbrekelijk met elkaar samen. Schaamte en schuld zijn elkaars spiegelbeeld, net als dankbaarheid en woede.
Een menselijke samenleving zonder deze morele gevoelens is niet denkbaar en al helemaal niet wenselijk. We moeten woede dus niet afschaffen, maar alleen reguleren – zorgen voor de juiste woede, in de juiste mate, op het juiste moment.

De waarde van vergelding
Maar hoe zit het dan met Nussbaums bezwaar tegen de wraak-dimensie in woede? Is het verlangen naar vergelding niet inderdaad een vorm van magisch denken, die misschien emotioneel bevredigend is, maar die we misschien achter ons moeten laten?
Ik denk het niet, nee.

Nussbaum vraagt zich af waar het ‘magische denken’ in het concept van wraak vandaan komt. Ze vermoed dat het gebaseerd is op oude ideeën over een ‘kosmische balans’, die hersteld moet worden wanneer hij verstoord is.
Ik denk dat ze daar best wel eens gelijk in zou kunnen hebben.

Nussbaum is echter te gemakkelijk in haar veroordeling van deze vorm van denken. Natuurlijk, je kunt je vraagtekens zetten bij het idee dat het universum in ongerede raakt door een ‘verraad’ en dat een ’tegenverraad’ dat weer goedmaakt. Maar uit het bovenstaande moge al duidelijk worden dat mensen in een web van wederzijdse relaties leven, en dat dit web wel degelijk beschadigd raakt door een immorele daad. En voor de meeste mensen voelt vergelding als het herstel van dat web.
Is dat ‘magisch denken’?
Ja.
Maar het hele web van wederzijdse morele betrekkingen is een voorbeeld van magisch denken – waar we toch niet zonder kunnen.

Stel, een man vermoordt een vrouw, onder omstandigheden die nooit herhaald zouden kunnen worden. Volgens Nussbaums redenering zouden we dan net zo goed af kunnen zien van straf, omdat de moordenaar daar niets van leert (hij weet dat de moord fout was, zal het nooit meer doen en heeft die les helemaal niet nodig) en de moord er toch niet door ongedaan zou worden gemaakt. De meesten van ons zouden het met die kwijtschelding oneens zijn, omdat het voor ons dan zou lijken alsof de beschadiging van ons morele web zou worden geaccepteerd. We zouden blijven zitten met een gat in het web.

Dat magische morele web, geweven door onze emoties – aardig vinden, dankbaarheid, schuldgevoel, schaamte, sympathie, woede – rafelt uiteen, denk ik, wanneer we sommige van deze emoties helemaal weg willen strepen, of andere als zaligmakend beschouwen.
We hebben ze allemaal nodig. Ook woede. En niet alleen als transitie-woede, maar ook boosheid in zijn huis, tuin en keuken-variant.