174. Waarom Sinterklaas?

Posted on 1 dec 2017 in Blog, Featured, Overlevenskunsten, Uncategorized

174. Waarom Sinterklaas?

In weerwil van de escalatie in de Piet-discussie zullen komende week toch weer heel veel mensen het Sinterklaasfeest vieren. Bijna alle kinderen in Nederland worden opgevoed als Sint-gelovige en vieren, nadat ze hun geloof zijn kwijtgeraakt, het feest vrolijk verder in ‘volwassen’ vorm – wellicht zonder liedjes en schoenzetten, maar met een bijeenkomst met familie en vrienden, waarbij cadeaus worden uitgewisseld.

Waarom doen we dit? En zeg dan niet: dat is traditie. Want dat werpt alleen nieuwe vragen op, zoals: hoe is die traditie gegroeid? En: waarom is die traditie nog steeds levend?
Het feit dat Sinterklaas zo wijd verspreid gevierd wordt, toont volgens mij dat het feest een functie vervult, dat het ons iets biedt dat een ander feest niet levert. Dat het op unieke wijze specifieke behoeftes bevredigt.

sint

Ik denk bovendien dat we de vraag in twee delen moeten splitsen en ons moeten buigen over twee verschillende problemen:

Waarom wisselen mensen die niet in de Sint geloven massaal cadeaus uit?
Waarom voeden we kleine kinderen op in het geloof in Sinterklaas?

Uitwisseling
Vraagstuk 1, de massale uitwisseling van cadeaus, is niet heel moeilijk te begrijpen. Al honderd jaar geleden brachten antropologen bewijs van over de hele wereld samen, waaruit blijkt dat het wederzijds geven van geschenken van oudsher de belangrijkste manier is geweest om goederen uit te wisselen. Het standaardwerk Le Don (Het Geschenk) van Marcel Mauss geeft hiervan een overzicht en analyse.

Lang voordat er markten waren creëerden mensen systemen van wederkerigheid, zegt Mauss, door het volgen van een paar simpele regels:
1. Als je iemand buiten jouw groep (familie/clan/stam) ontmoet, geef hem/haar een geschenk.
2. Als iemand je een geschenk aanbiedt, accepteer dat dan.
3. Als je een geschenk hebt geaccepteerd, geef je op een later moment een geschenk terug dat tenminste gelijkwaardig is aan dat, wat je hebt ontvangen.

De wederkerigheid die hierdoor ontstaat, heeft grote voordelen. Het leidt in de eerste plaats tot iets anders dan oorlog – vaak het enige alternatief als het naburige groepen betreft. (Denk aan het begrip peace offer – zoenoffer.) En de handel zorgt ervoor dat beide partners beter af zijn dan voor de transactie. De onderlinge relatie kan zelfs, als meer dan alleen nuttige goederen worden uitgewisseld (banketten, rituelen, feesten, jaarmarkten, militaire ondersteuning, bruiden), uitgroeien tot bondgenootschap, vriendschap en verwantschap. De band tussen de gevers-ontvangers kan bovendien nog verstevigd worden als het geschenk uit naam van de goden wordt gegeven, of van de voorouders, of van de totems.

Mensen zagen dus al vroeg de waarde van uitwisseling in – en van wederkerigheid.

Wij hebben allemaal een aangeboren gevoel voor wederkerigheid in uitwisseling – voor eerlijkheid, fairness. Een gevoel dat we in elk geval delen met onze naaste verwanten in het dierenrijk, apen en mensapen.
Wederkerigheid is een van de vier relatiemodellen die wij mensen volgen, wanneer we onze onderlinge relaties vormgeven.

Primair en ouder dan wederkerigheid is het model van Gemeenschap. Relaties worden hier gedefinieerd in termen van wat je deelt. Je bent familie van elkaar, of stadgenoten, of landgenoten. Je deelt een onbepaalde, gemeenschappelijke essentie. Dat kan ook een gedeelte interesse of liefde zijn: je houdt bijvoorbeeld samen van Ajax, of Mozart. Of van elkaar.
Wanneer gemeenschappen groter worden, ruilen ze hun ongedifferentieerde vorm vaak in voor een bepaalde ordening. Dan krijg je het model van Rang of Autoriteit. Je ziet dat sommige mensen hoger staan dan andere, al is het maar in een bepaalde context. ‘Hogeren’ genieten prestige en voorrechten. Hoger is beter, lager is slechter.

Wanneer gemeenschappen met elkaar omgaan, doen ze dat zoals we zagen volgens het model van Wederkerigheid. Maar dat model kan ook binnen gemeenschappen worden gebruikt, wanneer de gemeenschappen groter en losser worden.
Wederkerigheid draait om evenwicht, een-op-een vergelijking. Oog om oog, tand om tand. Op je beurt wachten.

Het laatste model dat groepen kunnen volgen, wanneer ze groot genoeg zijn, is dat van de Markt. In dit model draait het om verhoudingen: zoveel procent ingebracht, dan krijg je zoveel van de opbrengst. En om de verhouding van vraag en aanbod. Niet: jij geeft mij een koe, ik geef er jou eentje terug, maar: jij verkoopt mij een koe, ik geef jou de laagst mogelijke prijs.

We kunnen nu een poging doen de waarde van pakjesavond en de uitwisseling van cadeaus te analyseren.

Als we met een stel familieleden of vrienden bij elkaar gaan zitten en elkaar cadeaus geven, verstevigen we onze onderlinge band. Hoe gaat dat?
Ik geef jou iets en jij geeft mij iets – dat schept drie vormen van verbinding. Ten eerste investeer ik iets van mijzelf in jou: aandacht (ik heb het cadeau zorgvuldig uitgezocht), liefde (ik wil dat het cadeau je blij maakt), mijn wens voor jou (dat je veel plezier zult hebben van deze lekkere olijfolie), misschien mijn idee van jouw potentie (dat je dit een mooi concert zult vinden). En met die investering heb ik een beetje van mijzelf in jou geplaatst. Dat is één.
Dit betekent ook: als jij mijn cadeau in dankbaarheid hebt aanvaard, heb je mij aanvaard. Je had mijn cadeau, en daarmee mijzelf, ook af kunnen wijzen. Maar dat heb je niet gedaan, je hebt mij geaccepteerd. Dit verstevigt onze band verder.
Dat is twee.
Tenslotte: als je dankbaar bent voor mijn geschenk, schep je in jouzelf de omstandigheden om iets terug te doen, om mijn geschenk te reciproceren. Dat creëert een spiraal van goedwillendheid die onze band in de toekomst nog hechter zal maken.
Dat is drie.

Maar waarom geven mensen elkaar dan anoniem cadeautjes en niet openlijk, zoals bij een verjaardag?
Voor de beantwoording van die vraag moeten we eerst terug naar het vraagstuk van de Sint-mythe en waarom we die aan kleine kinderen overleveren.

Asymmetrie
Als we naar de vier relatiemodellen kijken, zien we dat geschenken in elk model anders functioneren.

In het Gemeenschapsmodel is er eigenlijk geen sprake van echte geschenken. Wat van mij is, is van jou en wat van jou is, is van mij. Hoe zouden we dan cadeaus kunnen uitwisselen? Als ik jou een cadeau geef is dat meer een signaal dan een echt geschenk – zoals wanneer ik een bloem pluk in de wei en die aan jou geef. Die bloem is net zomin van mij als van jou (of net zoveel), dus ik geef jou niks dat je niet al had, ik sta niks af aan jou. En toch geef ik je iets – een blijk van genegenheid, van aandacht.
Een geschenk is dan meer een soort liefkozing.

In het Wederkerigheidsmodel is het geven van geschenken eigenlijk meer ruilen. Ik geef jou alleen iets omdat ik weet dat jij mij ruwweg hetzelfde moet teruggeven. Dat is nog steeds goed om een band op te bouwen en te verstevigen (zie boven), maar is het niet het ware geven en ontvangen – daarvoor zit er teveel dwang achter.

In het Marktmodel draait het ook niet om echte geschenken, maar om gebruiks- en ruilwaarde. Om ‘hoe goed kan ik iets gebruiken’ en ‘hoeveel geld heeft het gekost’. Je geeft in dit model bij voorkeur ook geen cadeau, maar geld of een cadeaubon – zodat duidelijk is hoeveel ruilwaarde ermee gemoeid is en de gebruikswaarde voor de ontvanger maximaal is.
In dit model horen ook verlanglijstjes thuis.

Blijft over het Rangmodel. In dit model komen de verschillende vormen van schenken – liefde geven en uitruilen – samen.
Schenken in de ware zin des woorden is een vrije daad die meteen een asymmetrische relatie schept tussen gever en ontvanger. In een model van wederkerigheid vinden we die asymmetrie vervelend – en we willen daar zo snel mogelijk vanaf door iets terug te geven. Zo herstellen we de symmetrie. In het Rangmodel accepteren we dat iemand iets geeft maar dit niet had hoeven doen. Dat iemand een geschenk kan accepteren, maar dat ook kan weigeren. En dat een geschenk niet gevolgd hoeft te worden door een tegengeschenk.

De situatie waar we deze zuivere vorm van schenken het meest tegenkomen is in de relatie van ouders met kleine kinderen. Niet als de kinderen baby’s zijn, dan heerst het gemeenschapsmodel, omdat baby’s nog geen verschil kunnen maken tussen zichzelf en hun omgeving. Maar als ze peuters zijn, als ze geleerd hebben dat hun behoeften aan voedsel of troost niet automatisch door de wereld bevredigd worden, maar dat het andere mensen – volwassenen – zijn, die hen deze zaken geven – dan ervaren ze dat er permanente goedheiligmannen- en vrouwen bestaan die, kennelijk uit de goedheid van hun hart en omdat ze veel van jou houden, jou alles geven wat je hartje begeert.

Lang duurt deze idyllische toestand overigens niet. Mensen zijn wezens die altijd op zoek zijn naar wederkerigheid, dus reeds als kleuters proberen kinderen de vrije giften van hun ouders op een bepaalde manier ‘af te dwingen’ – op een positieve manier (lief doen, het ‘verdienen’) of op een negatieve (zeuren, dreigen, dingen kapot maken).
Dit hoort bij de noodzakelijke ontwikkeling die mensen, in navolging van hun samenlevingen, doormaken: van gemeenschap naar rang naar wederkerigheid.

Wat betekenen deze overwegingen voor de betekenis van Sinterklaas en surprises? Daarover meer op 6 december!