373. Een letterlijke oorlog

Posted on Mar 6, 2022 in Blog, Featured, Uncategorized

373. Een letterlijke oorlog

In de afgelopen jaren heb ik op deze plek vaker geschreven over het begrip ‘oorlog’ als metafoor. Daarbij kwam ik steevast tot de conclusie dat er grote nadelen zitten aan de oorlogsmetafoor en dat het niet goed werkt om het oorlogsetiket te gebruiken bij economische zaken, een pandemie of de bestrijding van drugscriminaliteit.

Waar we sinds 24 februari mee te maken hebben is geen metaforische oorlog, maar een letterlijke. Toch is oorlog ook in dit geval een bepaalde interpretatie, en dan heb ik het niet over de tegengestelde Oekraïense (‘oorlog’) en Russische (‘militaire operatie’) etiketten. Ik bedoel dat ‘oorlog’ een bepaalde betekenis heeft die wij op de situatie van toepassing verklaren. Terwijl er ook een andere keuze is.

Grenzen
Oorlogen bestaan bij de gratie van grenzen – je zou zelfs kunnen zeggen dat oorlogen grenzen scheppen die er voorheen niet waren.

In een eerder artikel heb ik de distinctie van James P. Carse tussen communitas en civitas uitgelegd.
Communitas en civitas beschrijven beide een vorm van gemeenschap.

Communitas is een vorm van gemeenschap die spontaan ontstaat, uit een verlangen samen een bepaalde praktijk te delen. Denk aan een religie waar je jezelf bij aansluit, een kunst die je wilt beoefenen of een taal die je leert spreken.
Communitas is open en bottom up; hij ontstaat en ontwikkelt zich min of meer toevallig.
Communitas is een gemeenschap die wordt gecreëerd door een bepaalde spirit of geest (als in: de geest van het spel).

Civitas is een kunstmatig gecreëerd iets – een doelbewust gevormde gemeenschap, top down georganiseerd. Regels staan vast en worden van bovenaf opgesteld en gehandhaafd.
Civitas draait om de letter, niet om de geest.
Denk aan een kerk, of aan een staat.

De ene civitas sluit de andere uit. Gemeenschappen in de vorm van civitas grenzen aan elkaar, maar overlappen elkaar niet. Je kunt maar van één civitas tegelijk lid zijn: je bent óf Arnhemmer, óf Nijmegenaar. Óf gereformeerd, óf hervormd.
Daarentegen kun je behoren tot elke communitas waarbij je jezelf wilt aansluiten: je kunt zowel Frans als Nederlands spreken, je kunt zowel Bach als hiphop spelen, je kunt zowel wetenschapper zijn als christen.

We kunnen Oekraïne en Rusland zien als gemeenschappen in de zin van communitas en in de zin van civitas.
Als communitas kunnen gemeenschappen geen vijanden van elkaar zijn en nooit oorlog voeren. Een Oekraïner kan dan in Rusland wonen en honderd procent Oekraïner zijn met andere Oekraïners; en andersom kan een Rus met alle andere Russen zijn communitas vieren, of dat nou in Moskou is of Kiev (en of je nou Kiev schrijft of Kyiv). Je kunt zelfs én Rus én Oekraïner zijn.
Grenzen bestaan niet tussen communitas-gemeenschappen, omdat deze elkaar allemaal overlappen.

Als civitas sluiten Oekraïne en Rusland elkaar uit: waar Oekraïne is kan Rusland niet zijn – en vice versa. Je kunt niet tegelijk Rus en Oekraïner zijn, je moet kiezen. Tussen beide gemeenschappen loopt een duidelijke grens (bijvoorbeeld in de vorm van staatsburgerschap en paspoort).

Zolang er geen oorlog is, blijven grenzen poreus en gemeenschappen niet helemaal gedefinieerd. Met andere woorden: ook als ze een bepaalde mate van ‘civitas-heid’ hebben, blijven ze ook altijd nog een communitas, die je kunt delen met iedereen die daarvoor open staat. Je kunt samen handel voeren, trouwen, experimenteren. Bouwen, verbouwen. Zingen. Vechten, huilen, bidden, lachen, werken en bewonderen.
Zo gauw er oorlog uitbreekt wordt tussen al deze beoefenaars van honderden verschillende gemeenschappen één grens getrokken: die tussen twee staten. En dan sta je, in de logica van de civitas, plotseling óf aan de ene, óf aan de andere kant.

Omdat een gemeenschap iets is wat mensen samen scheppen – door samen bepaalde woorden, gebaren, signalen, uitdrukkingen, rituelen, verwachtingen etc. betekenis te geven – vallen de begrippen gemeenschap, cultuur en volk grotendeels samen.
Als we zeggen dat er een ‘Helleense’ cultuur was, bijvoorbeeld, dan zeggen we eigenlijk dat er mensen waren die bepaalde manieren van leven samen deelden, manieren die eerst waren ontwikkeld in Griekse stadsstaten en later via Alexander en het Romeinse rijk verspreid werden over Europa en Klein-Azië. Daar ging de Griekse traditie een vruchtbare verbinding aan met Oosterse cultuur, wat het ‘Hellenisme’ een kosmopolitisch, syncretisch karakter verschafte.
Je zou dit ook uit kunnen drukken door te zeggen dat er een ‘Helleens’ volk was dat ruim 1500 jaar een ongebroken culturele traditie doorgaf. En in zekere zin bestaat de Helleense erfenis – en daarmee de cultuur, en de gemeenschap – nog steeds wanneer we volgens het Helleense principe westerse filosofische, wetenschappelijke, artistieke en godsdienstige gebruiken vermengen met die van andere tradities. Wat we nog steeds doen.

Oorlog en vrede
Een civitas kan zich op twee manieren gedragen tegenover een communitas, een cultuur, een volk. De civitas kan het samen scheppen van die cultuur, dat volk, mogelijk maken en bevorderen. Het kan een basis bieden, door een rechtstaat en een democratische politieke besluitvorming, voor alle culturele creativiteit die in een samenleving schuilt. Een dergelijke houding bevordert communitas-gemeenschappen en ondergraaft op een bepaalde manier de civitas zelf, omdat al die verschillende culturen en volken duidelijk maken dat de ene, exclusieve, statelijke, nationale samenhang een fictie is – en dat er juist vele vormen van gemeenschap zijn.
Dat is de toestand van vrede.

En dan is er de houding waarin de civitas probeert de verschillende communitas-vormen te onderdrukken, te reguleren, voor het eigen karretje te spannen. Misschien wel uit te roeien. De civitas probeert haar burgers dan wijs te maken dat juist de communitas, de cultuur, de levensvorm, het volk de fictie is – en dat het leven alleen om elkaar uitsluitende civitas-gemeenschappen draait.
Dat is de toestand van oorlog.

In mijn ogen is vrede de toestand waarin de civitas zijn kerntaak, het faciliteren van verschillende vormen van communitas, optimaal kan vervullen. Want uiteindelijk is de staat er voor het leven, niet het leven voor de staat. (Tijdelijk kan dat andersom zijn, om de rechtsstaat en de democratie te laten voortbestaan.)

Het ergste van oorlog is dat het idee van die ene tegenstelling tussen twee civitas alles gaat overheersen. Grenzen tussen gemeenschappen worden ondoordringbaar, alles wordt zwart-wit, wij-zij. In een dergelijk klimaat kunnen zelfs buitenstaanders in een oorlog-discours worden meegetrokken en absurde dingen doen als een huurcontract opzeggen omdat iemand Russisch is of een festival rondom Russische componisten afgelasten “omdat het niet goed voelt een weekend lang Russische muziek te vieren”. Of Vierdaagselopers uit de invasiemachten te weren. Of de Hermitage in Amsterdam te sluiten.

Dergelijke gebaren doen niets voor de veiligheid van Oekraïners en steken hen ook geen ‘hart onder de riem’. Het steunt niet het Oekraïense volk, alleen oorlogspartij Oekraïne, die door Poetin is geschapen (nadat hij de plurale communitas Rusland bijna geheel in een civitas heeft veranderd). Daarmee bevestigen we de civitas-logica van Poetin – zonder dat er één oorlogsslachtoffer mee wordt geholpen. De oorlog wordt door deze gebaren alleen maar geïntensiveerd – hij breidt zich namelijk van het militaire vlak uit op politiek, economisch, cultureel en sportief terrein.
We scheppen zo een ‘totale oorlog’.

In mijn ogen zou het veel verstandiger zijn op allerlei manieren de communitas in Oekraïne en Rusland te versterken. Niet door een algemene boycot van alles wat Russisch is, maar door een slimme samenwerking met politieke tegenstanders van Poetin, zelfstandige economische entiteiten (niet een staatsbedrijf zoals Gazprom), creatieve kunstenaars uit heden en verleden (zowel TTsjaikovski als Pussy Riot) en individuele sporters (niet nationale teams of ploegen op civitas-toernooien als een WK voetbal of de Olympische Spelen).
En hetzelfde moeten we doen met Oekraïnse communitas-vormen. Want of er uiteindelijk een ‘heilig Russisch rijk’ onder tsaar Poetin zal komen, hangt meer af van de Oekraïense cultuur dan van het Oekraïense leger.