188. Vlees eten is slecht, maar niet immoreel

Posted on Mar 18, 2018 in Blog, Featured, Uncategorized

188. Vlees eten is slecht, maar niet immoreel

Vorige week was het de eerste Nationale Week Zonder Vlees, een initiatief van een nieuwe stichting, dat in de media veel aandacht kreeg. De stichting promoot een flexitarisch dieet, waarin vlees en vis afgewisseld worden met vegetarische gerechten. Elke dag vlees eten is volgens de website ‘niet meer van deze tijd’.

Dagblad Trouw interviewde Denker des Vaderlands (en mijn oude studiegenoot) René ten Bos over deze actie. Volgens Ten Bos gaat een flexitarisch eetpatroon lang niet ver genoeg en is er geen manier om vlees eten te rechtvaardigen: “Vlees eten is totaal immoreel.”

Vlees eten heeft tal van negatieve gevolgen, dat weten we. In de bio-industrie worden dieren onder erbarmelijke omstandigheden gehouden en geslacht; het kweken van slachtvee kost heel veel water en energie; methaan uit mest draagt aanzienlijk bij aan het broeikaseffect; onze veestapel legt een enorm beslag op de ruimte en drukt wilde dieren weg.
Deze gevolgen zijn onomstreden. Vlees eten schaadt het milieu en waar dieren in bio-fabrieken gefokt worden bestaat veel dierenleed.
Maar is vlees eten daarom moreel slecht?

Tegen vlees
Er zijn een heleboel redenen om geen vlees te eten.
Je kunt het vies vinden.
Je kunt vlees mijden omdat andere mensen dat ook doen, omdat vlees eten ‘niet meer van deze tijd is’.
Je kunt vlees risicovol vinden, omdat je er ziek van kunt worden.
Je kunt proberen het milieu minder te belasten.

Geen van deze redenen zijn echter morele redenen. Als ik iets doe (daad A) om een morele reden, dan vind ik dat iedereen, altijd, A moet doen. En als ik om een morele reden iets niet doe (daad B) dan vind ik dat niemand, ooit, B moet doen.
Als ik overtuig ben van het goede van A en het slechte van B, dan acht ik de tegenovergestelde opinie incorrect. En ik moet dan A willen belonen en B bestraffen.

Anders gezegd.
Moraal gaat uit van het universele. Wat voor deze instantie van A geldt, geldt altijd voor A. Wat voor A in het algemeen geldt, geldt ook voor elke individuele A.
Iets vies vinden is niet universeel. Een maatschappelijke trend of mode is niet universeel. Een mogelijk, maar niet onafwendbaar gevolg (misschien word ik er ziek van) is niet universeel. Eventuele gevolgen op de lange termijn (zoals opwarming van de aarde) zijn niet universeel, omdat er geen noodzakelijke samenhang is dus die ene daad (vlees eten) en het gevolg (opwarming).

Ik ben niet tegen moord en doodslag omdat het vermoorden van mensen – als iedereen het doet – uiteindelijk tot een minder plezierige samenleving leidt, of tot bevolkingskrimp. Ik ben tegen moord omdat het nu, in dit ene geval, de onvervreemdbare rechten van een slachtoffer aantast.
Elke moord is fout – niet het opgestapelde effect van zoveel moorden samen.

Is vlees eten als moord, dat wil zeggen is het altijd, in elk geval, fout? Dat toont René ten Bos in zijn argumenten niet aan. Hij noemt uiteindelijk maar twee verschillende redenen waarom vlees eten slecht is:
1. Het belast het milieu. Zelfs ‘diervriendelijk’ vlees (schapen op de dijk op Texel) vermindert diversiteit en bevordert opwarming van de aarde.
2. Dieren slachten veroorzaakt leed omdat dieren in slachterijen slecht worden behandeld en – al is het maar even – in doodsangst verkeren.

Zoals boven betoogd is argument 1 geen morele reden om af te zien van vlees, iets dat in het interview overigens zelf ook wordt toegegeven. De ‘triomf’ van vee over wilde dieren kan gezien worden als een evolutionaire uitkomst, niet meer of minder moreel dan de ‘triomf’ van zoogdieren over dinosaurussen. En het nuttigen van een enkel stukje vlees veroorzaakt geen milieuschade, dat gebeurt pas wanneer alle stukjes vlees samen worden gevoegd.
Bovendien: dat er, bijvoorbeeld op Texel, wel schapen leven maar geen tijgers, is natuurlijk geen morele kwestie: dat wel bestaande schaap begaat geen misdaad jegens de niet bestaande tijger – net zomin als wij dat doen, wanneer we wel schapen maar geen tijgers ‘houden’.

Hoe zit het met argument 2, dat slachtdieren bang zijn en pijn leiden? Dat lijkt me een sterk argument – maar niet tegen elk stukje vlees. Het is heel goed denkbaar dat een dier (zoals dat Texelse schaap) een heel plezierig leven leidt en op een pijn- en angstloze manier wordt omgebracht. Zeker, dat gaat nu meestal niet zo – en als het schaap pijn leidt, wordt het resulterende stuk schapenvlees daardoor zeker moreel belast.
Maar het is wel denkbaar dat een stuk vlees op een diervriendelijke wijze wordt geproduceerd.

In een eerder artikel over moraliteit en muziek heb ik de lijn van Roger Scruton gevolgd en betoogd dat er vier soorten morele argumenten zijn om iets te verdedigen of te bekritiseren.
1. Rechten en plichten. Mensen hebben het recht om te leven, dus wij hebben de plicht om dat leven te beschermen (en, bijvoorbeeld, moord te bestraffen).
2. Sympathie. We vinden een lijdende mens zielig en willen dat lijden opheffen.
3. Deugden. Uit een daad blijkt bijvoorbeeld moed, beleid of trouw – of het tegendeel. Deugden zijn moreel goede eigenschappen, ondeugden moreel slechte.
4. Piëteit. Het reeds bestaande legt op een bepaalde manier beslag op ons, het doet een appèl op ons respect. Dat geldt bijvoorbeeld voor ouderen, doden, geschiedenis, ongerepte natuur. Stilte. Het verstoren van deze dingen is een soort schenden, een schanddaad.

Valt vlees eten onder een of meerdere van deze morele categorieën?
Er zijn voorvechters van dierenrechten, maar ik heb eerder argumenten gegeven waarom dat geen goed idee is. In het kort: dieren, zelfs die met de grootste cognitieve capaciteiten, kunnen geen onderdeel zijn van het morele netwerk van personen die rechten en plichten hebben, afspraken maken en beloftes doen – die elkaar, in de termen van Immanuel Kant, als doel en niet als middel behandelen.

Dan sympathie. Dit is wel een relevante categorie, ik zei het al. Wij kunnen door dierenleed worden aangedaan en dat is zeker een goede zaak. Een kistkalf en een kip in een legbatterij verdienen zeker ons mededogen en we zouden hun lijden niet mogen bevorderen. Maar dit bezwaar geldt dan niet voor elk dier dat wordt opgegeten: als het dier een goed leven heeft gehad en pijnloos wordt geslacht hoeven we het niet ‘zielig’ te vinden.

(Nota bene: dat een dier na zes maanden wordt geslacht in plaats van twaalf, of na dertig in plaats van zestig, is op zichzelf genomen niet ‘zielig’. Een dier heeft geen ‘levensverhaal‘ dat te vroeg kan worden afgebroken. Dat Texelse schaap droomt niet van de toekomst en heeft geen doel om te verwezenlijken – niet eens om nakomelingen te krijgen en die te zien opgroeien.)

Volgende punt. Wanneer we dieren slecht behandelen is dat zeker relevant voor onze deugdzaamheid. Maar opnieuw: dat geldt voor veel vormen van vleeseten (fastfood, kiloknallers), niet voor alle. Het is mogelijk een stuk vlees te eten waar geen wreedheid of onverschilligheid aan te pas is gekomen.

Tenslotte. Piëteit. Schort het bij vlees eten aan respect voor de ‘schepping’, voor het dier dat wij op de wereld aantroffen? Betekent het doden en eten van een dier altijd dat we iets ‘schenden’?
Het zal duidelijk zijn dat de zaken niet zo eenzijdig liggen. Denk aan de manier waarop onze voorouders op dieren jaagden, waarbij ze een prooi om vergeving vroegen en deel van de buit aan de goden offerden: hoe zou een dergelijke omgang met dieren respectloos, piëteitsloos, kunnen zijn?
Het doden en eten van dieren verdraagt zich heel goed met piëteit, al ben ik me ervan bewust dat het in de praktijk vaak anders gaat. Bijvoorbeeld wanneer een diersoort op een bepaalde manier is doorgefokt, zodat de huidige generatie in een voortdurende staat van pijn verkeert. Een kip die zichzelf niet overeind kan houden en buiten de legbatterij door haar poten zakt, is een schande. Maar dat is een argument tegen plofkippen, niet tegen het nuttigen van scharrelvlees.

Er is nog een manier waarop het eten van vlees met piëteit te maken heeft dunkt me, en dat inzicht is gebaseerd op de link die Ten Bos noemt: die tussen onze veestapel en de wilde dieren die erdoor worden weggedrukt.
Volgens mij kan de bestaande diversiteit van dieren (niet de simpele som van biomassa, die Ten Bos noemt) worden gezien als een ons aangeleverde toestand die niet zonder meer gewijzigd mag worden. De voedselketen, het natuurlijk evenwicht, de soortenrijkdom, een zuivere atmosfeer – dit zijn gegevenheden die zoveel mogelijk gerespecteerd dienen te worden, lijkt me.
Hieruit volgt echter niet dat een individuele daad als het eten van koeien- of schapenvlees verwerpelijk zou zijn. Wat piëteitsloos is, is niet het voeden van 1 schaap in plaats van 1 tijger, of het uitstoten van 1 kilogram methaan extra – het is de totale schade aan het milieu, die we uit piëteit dienen te vermijden. Het moreel juiste zit hem op dit vlak dan ook in het bevorderen van grote, collectieve maatregelen op lange termijn – niet het verbieden van elke particuliere contributie.
Anders gezegd: rekeningrijden invoeren is moreel juist. Een bepaalde autorit verbieden, niet.
De accijns op vlees verhogen is goed. Vlees eten verbieden, niet.

Wanneer alle argumenten zijn opgeteld, kan ik een heel eind meegaan in het problematiseren van vlees eten. Zeker is het in zijn algemeen een slechte zaak – voor veel dieren, voor het milieu en zelfs voor de mensen die vlees consumeren.
Maar moreel slecht is het denk ik niet – het is schlecht maar niet böse, bad maar niet evil. Het is niet kwaadaardig.
Vlees eten is slecht, maar niet immoreel.