398. Dagverlichting: het barre land

Posted on Oct 30, 2022 in Blog, Dagverlichting, Featured

398. Dagverlichting: het barre land

Ga rustig zitten. Kijk eens om je heen. Hoe is het licht? Vertellen je zintuigen je hoe laat het is, welke tijd van het jaar? Wat hoor je? verkeer of vogels? Is het lekker warm, of zit je een beetje te kleumen? Of is het eigenlijk te warm, of te vochtig?
Hoe voel je jezelf? Fit, of een beetje under the weather? Ben je relaxt, of voel je jezelf een beetje opgejaagd?

Hier is een moment voor jezelf.

Lees het volgende verhaal en het bijbehorende gedicht:

Unknown

Op een dag reed Parsifal langs een rivier, waar hij twee mannen in een boot zag drijven. Eentje was aan het vissen. Hij vroeg waar hij misschien onderdak voor de nacht kon vinden, en de visser, die opvallend rijk gekleed was, verwees hem naar zijn eigen huis, het enige huis in vijftig kilometer omtrek.
Parsifal volgde zijn aanwijzingen en kwam bij een grote en onneembare vesting. Op zijn mededeling dat hij door een visser was gestuurd, werd de ophaalbrug neergelaten en kon hij het kasteel betreden. Twee pages ontwapenden hem en geleidden hem naar zijn gastheer, de visser-koning, die op een bank lag. De koning verontschuldigde zich dat hij niet overeind kon komen om zijn gast te begroeten, maar Parsifal verzekerde hem dat hij niet beledigd was.
De koning schonk de ridder vervolgens een schitterend zwaard, met de woorden: “Goede heer, dit was voor u bestemd, en ik wil dat u het krijgt.”
Parsifal nam plaats naast de koning en zag samen met hem hoe een page de zaal betrad met een witte lans, waarlangs druppels bloed van de punt tot de hand van de page liepen. De aanwezigen, tientallen ridders en dames, reageerden op dit beeld met luid geweeklaag. Parsifal verbaasde zich over dit tafereel, maar vroeg niets.
Daarna betraden twee andere pages de zaal met twee gouden kandelaars, elk met tien kaarsen. Daarna kwam een vrouw, die met twee handen de graal droeg. Ze was beeldschoon, gracieus en rijk gekleed, en het licht van de graal was zo oogverblindend dat je de kaarsen niet meer zag schijnen, net zoals de maan of de zon de sterren onzichtbaar maakt.
De lans en de graal werden langs de bank van de koning gevoerd en naar een andere kamer gebracht. Zijn jonge buurman zag ze voorbij komen, maar durfde niet te vragen wat de graal was en aan wie hij toebehoorde, omdat zijn leermeester hem had gewaarschuwd voor overdreven spraakzaamheid.
Pages dienden vervolgens een groot feestmaal op en bij elke gang werd de graal weer langs gevoerd. En steeds verzuimde Parsifal iets te vragen. Hij dacht bij zichzelf dat hij beter kon wachten en ‘s ochtends bij een page navraag te doen.
Tenslotte wenste de koning hem goedenacht. Vier bedienden droegen de koning uit de zaal en Parsifal bleef uiteindelijk alleen achter. Na een onrustige nacht ontwaakte hij in een lege zaal. Alle deuren die ‘s avonds open waren, waren dicht en afgesloten. Parsifal klopte op elke deur, maar niemand gaf antwoord. Tenslotte vond hij op de binnenplaats zijn gezadelde paard en harnas, dat hij met enige moeite zonder hulp wist aan te gorden. Toen hij het kasteel via de ophaalbrug verliet ging die plotseling omhoog, wat zijn paard tot een laatste sprong dwong om de veilige overkant te bereiken. Achter zich zag de ridder de ophaalbrug sluiten.
Parsifal zag bij de gracht verse hoefsporen en besloot die te volgen, in de hoop alsnog een antwoord te krijgen op zijn vragen. De sporen werden echter allengs schaarser en vager tot hij helemaal niets meer zag. Tenslotte dwaalde hij maar wat rond, tot hij plotseling een jonge vrouw zag. Ze zag dat zijn paard er verzorgd uitzag en vroeg verbaasd waar hij de nacht had doorgebracht, aangezien er in de wijde omtrek geen bewoond huis te vinden was. Parsifal vertelde dat hij nog nooit zo goed had overnacht en ze vroeg hem: “Heer ridder, bent u dan te gast geweest bij de Visser Koning?” Parsifal beaamde dit en vroeg wat ze van de koning kon vertellen. De jonge vrouw antwoordde dat de Visser Koning in een veldslag gewond was geraakt door een lans die hem in beide dijen had getroffen en dat hij net meer kon lopen of rijden. Ze vroeg Parsifal of hij de bloedende lans gezien had.
“Of ik die gezien heb? Jazeker.”
“Hebt u gevraagd waarom hij bloedde?”
“Ik heb er niets over gezegd.”
“Zo waarlijk helpe mij God, dat was een slechte daad. En hebt u de graal gezien?”
“Zeker. Er was een jonkvrouw die hem droeg, en pages die hem vooraf gingen, en ze gingen ermee naar een andere kamer.”
“En hebt u gevraagd waar ze heen gingen?”
“Er kwam geen vraag over mijn lippen.”
“Bij de almachtige God, dat was nog erger. Wat is uw naam, vriend?”
“Parsifal van Wales”, antwoordde de jonge ridder, De jonge vrouw stond op en zei boos: “Uw nama is gewijzigd, mijn goede vriend, hij is nu ‘Parsifal de ongelukkige’. Ach, ongelukkige Parsifal, wat was het onfortuinlijk dat u al die dingen niet gevraagd hebt! Want u zou de verminkte koning geheeld hebben, zodat hij zijn ledematen weer had kunnen gebruiken en over zijn land regeren en alles zou goed zijn gekomen! Maar nu moet u weten dat veel ongeluk over u en anderen zal komen.”
Toen wendde Parsifal zijn paard en vervolgde bedroefd zijn weg.

Unknown-1

Uit: The Waste Land – T.S. Eliot

April is de wreedste maand, die
Seringen uit het dode land laat groeien, herinnering
En verlangen mengt, slappe
Wortels met lenteregen beroert.
Winter hield ons warm, door
Aarde in vergeetachtige sneeuw te kleden, en
Een beetje leven met droge wortels te voeden.

Wat zijn de wortels die grijpen, welke takken groeien
Uit deze stenige rommel? Mensenzoon,
Je kunt het niet zeggen, of raden, want je kent alleen
Een hoop van gebroken beelden waar de zon op brandt,
En de dode boom geeft geen beschutting, de krekel geen verlichting,
En de droge steen geen geluid van water. Er is alleen
Schaduw onder deze rode steen,
(Kom binnen in de schaduw van de rode steen),
En ik zal je iets laten zien, anders dan
De schaduw van de ochtend die achter je schrijdt
Of je schaduw in de avond die je tegemoet komt;
Ik toon je angst in een handvol stof.

Onwerkelijke Stad,
Onder de bruine mist van een winter dageraad
Stroomde een menigte over London Bridge, zo veel,
Ik had niet gedacht dat de dood er zo veel ongedaan had gemaakt.
Korte zuchten werden af en toe geslaakt,
En elk richtte zijn ogen voor zijn voeten.

De tent van de rivier is gebroken; de laatste blad vingers
Grijpen en verzinken in de natte oever. De wind
Doorkruist het bruine land, ongehoord. De nimfen zijn vertrokken.
Zoete Thames, stroom zacht, tot ik mijn lied afsluit.
De rivier draagt geen lege flessen, boterham zakjes,
Zijden zakdoeken, kartonnen dozen, sigaret peuken
Of andere getuigen van zomeravonden. De nimfen zijn vertrokken.

Een rat kroop zachtjes door de begroeiing
Met zijn slijmerige buik op de oever
Terwijl ik op een winter avond
Achter de gasfabriek in het zanderige kanaal viste
En nadacht over het wrak van mijn broer de koning
En de dood van mijn vader de koning voor hem.
Naakte witte lichamen op de lage vochtige grond
En botten die in een kleine lage zolder zijn gegooid,
Gestoord slechts door rattenpootjes, van jaar tot jaar.

De rivier zweet
Olie en teer
De aken drijven
Met het getij mee
Rode zeilen
Draaien wijd
Van de wind af, aan een zware mast,
De aken spoelen
Drijvende stammen
Langs Greenwich
Voorbij de Isle of Dogs.
Weialala leia
Wallala leialala

Na het rode toortslicht op bezwete gezichten
Na de ijzige stilte in de tuinen
Na het lijden op stenige plaatsen
Het schreeuwen en huilen
Gevangenis en paleis en trilling
Van Lente donder over verre bergen
Is hij die leefde nu dood
Wij die leefden zijn nu stervende
Met een beetje geduld

Hier is geen water maar alleen rotsen
Rotsen en geen water en de zandweg
De weg die zich boven tussen de bergen windt
Die bergen zijn van rotsen zonder water
Als er water was zouden we stoppen en drinken
Tussen de rotsen kun je stoppen of nadenken
Zweet is droog en voeten zijn in het zand
Als er maar water tussen de rotsen was
Dode berg mond van rotte tanden die niet kan spugen
Hier kun je staan noch zitten nog liggen
Er is zelfs geen stilte in de bergen
Slechts steriele donder zonder regen
Er is zelfs geen eenzaamheid in de bergen
Slechts rode norse gezichten die sneren en snauwen
Vanuit deuren van gescheurde lemen hutten
Als er water was
En geen rotsen
Als er rotsen waren
En ook water
En water
Een bron
Een poel tussen de rotsen
Als er maar het geluid van water was
Niet de cicade
En het ruisende droge gras
Maar het geluid van water over een rots
Waar de heremietlijster zingt in de pijnbomen
Drip dop drip drop drop drop drop
Maar er is geen water

In dit vergane hol in de bergen
In het zwakke maanlicht, zingt het gras
Over de omgevallen grafstenen, rondom de kapel
Daar is de lege kapel, slechts huis voor de wind.
Het heeft geen vensters, en de deur zwaait,
Droge botten kunnen niemand wat aandoen,
Alleen een haan stond op de dakboom
Ku ke leku ke leku
In een bliksemflits. Toen een vochtige vlaag
Die regen bracht.

Ik zat vissend op de
Oever, met de droge vlakte achter me
Zal ik tenslotte mijn land op orde brengen?