299. Dagverlichting: wonder

Posted on Aug 7, 2020 in Blog, Dagverlichting, Featured

299. Dagverlichting: wonder

Ga rustig zitten. Kijk eens om je heen. Hoe is het licht? Vertellen je zintuigen je hoe laat het is, welke tijd van het jaar? Wat hoor je? verkeer of vogels? Is het lekker warm, of zit je een beetje te kleumen? Of is het eigenlijk te warm, of te vochtig?
Hoe voel je jezelf? Fit, of een beetje under the weather? Ben je relaxt, of vol je jezelf ene beetje opgejaagd?

Hier is een moment voor jezelf.

Begin met het lezen van het volgende gedicht, en de bijbehorende bezinning.

De geest is een te bot instrument – Anne Stevenson

De geest is een te bot instrument
om een baby gemaakt hebben.
Geen ding zo onhandig als menselijke passies
had met de ingewikkelde
veeleisende details kunnen omgaan: de kleine
blinde botten met hun manipulerende pezen,
de knie en de knokkels, het veerkrachtige
fijne netwerk van ganglia en wervels
in de ketting van de ingewikkelde ruggengraat.

Kijk naar de onderscheiden wimpers en scherpe halvemaans
vingernagels, de schelpachtige complexiteit
van het oor met zijn stevige weerspiegelingen
concentrisch in miniatuur tot de minieme
gehoorbeentjes. Stel je de
oneindig kleine haarvaten voor, de feilloze verbindingen
van de longen, de onzichtbare neurale draden
waardoor het gehele lichaam
al aan het brein gehoorzaamt.

Noem dan een passie of sentiment
met de eenvoudigste accuratesse.
Nee. Geen verlangen of genegenheid had
met oefening kunnen doen wat gewoonte
volmaakt heeft gedaan, onverschillig,
door de onwetende precisie van het lichaam.
Het is aan de onzekerheid van de geest om
liefde en wanhoop en onrust
en hun pijn te verzinnen.

Het gedicht van Anne Stevenson beschrijft een gevoel van verwondering dat we bijna allemaal wel gehad hebben bij het aanschouwen van een baby: het gevoel ‘dit is een wonder’ – een wonder van ingewikkelde doeltreffendheid. Het bijzondere van het gedicht is een verrassende omkering van de manier waarop mensen eeuwen lang over dat wonder hebben gedacht.

Eeuwen lang was de complexiteit van een ding in de ogen van de meeste mensen een onfeilbaar teken dat het betreffende object met opzet gemaakt was, dat het een maker of ontwerper moest hebben.

De meeste eloquente verwoording van dit idee is het beroemde ‘horlogemaker’-argument van theoloog William Paley uit het begin van de negentiende eeuw:

Stel dat ik bij het oversteken van de hei met mijn voet tegen een steen zou stoten, en gevraagd zou worden hoe die steen daar kwam, dan zou ik misschien antwoorden dat, voor zover ik wist, hij daar altijd al had gelegen: en het zou niet gemakkelijk zijn dat antwoord te weerleggen. Maar stel dat ik een horloge op de grond had gevonden en was gevraagd hoe het horloge daar terecht was gekomen, dan zou ik niet hetzelfde antwoord geven als ik eerder had gedaan, dat voor zover ik wist, het horloge daar altijd had gelegen.

Paley benadrukt de verschillen tussen de simpele steen en de ingewikkelde architectuur van het horloge, met zijn in elkaar grijpende tandwieltjes en veertjes. Als we zo’n item op de hei zouden vinden zouden we niet anders kunnen concluderen dan

dat het horloge een maker gehad moet hebben: dat er op enig moment en op enige plaats een ambachtsman of ambachtslieden moeten hebben bestaan die het gemaakt hebben voor het doel waaraan het inderdaad beantwoordt, die zijn constructie begrepen en zijn gebruik hebben ontworpen.

Complexiteit, zo luidt de algemene opinie in Paley’s tijd, kan alleen verklaard worden door grotere complexiteit. Een horloge kan alleen verklaard worden door het bestaan van een menselijke ontwerper, een mens (baby) alleen door het bestaan van een Goddelijke Ontwerper.

Het zou nog ruim een halve eeuw duren voordat Charles Darwin met een beschrijving kwam hoe complexiteit uit eenvoud kan ontstaan, via oneindig veel minuscule stapjes over een immens lange tijdsspanne.

Door Darwin is ons hele idee van de verhouding tussen eenvoud en complexiteit, wonder en ontwerp, gekanteld. Indachtig de regel van bioloog Leslie Orgel, “Evolutie is slimmer dan jij”, beschouwen we nu extreme complexiteit, zoals van een baby, als een vrucht van een niet gestuurd proces, dat door variatie, competitie en overerving een voor ons onbegrijpelijke graad van ingewikkeldheid kan bereiken, een rijkdom aan nuttige en noodzakelijke details die voor ons niet te bevatten en ook niet na te maken valt.

Relatieve eenvoud, zoals van een horloge, een wekker of een computer, herkennen we nu als een teken van menselijk ontwerp.

En wonder heeft dus ook een andere betekenis gekregen: wij denken bij de aanblik van een baby niet langer: dit is een wonder van complexiteit, dit kan alleen verklaard worden door het wonder van Gods complexiteit – wat eigenlijk helemaal geen verklaring is, maar een herhaling van het wonder.
Wij denken: hoe wonderlijk dat in feite simpele processen, herhaald over onvoorstelbaar lange tijd, tot een dergelijke complexiteit kunnen leiden. En het wonder van de baby wijst eigenlijk weer op een ander wonder – maar dat wonder is niet langer God, het is de geschiedenis van het menselijk leven. En hoewel we van die geschiedenis meer begrijpen dan van God, is hij niet minder wonderbaarlijk.

Denk twee minuten na over wat ‘wonder’ voor jou betekent:

En luister naar de ouverture Van Haydns ‘Schepping’, die we kunnen beluisteren als een illustratie en viering van Gods wonderbaarlijke werk, of als een illustratie van dat wonderbaarlijke begin van natuurlijke evolutie: