533. Wiens leven is het eigenlijk?

Posted on 10 feb 2026 in Blog, Featured

533. Wiens leven is het eigenlijk?

In 1972 zond de Britse zender Granada TV een drama uit van Brian Clark, met de titel Whose Life Is It Anyway? Clark bewerkte het verhaal later tot een toneelstuk, dat in Londen en New York triomfen vierde. In 1981 werd het verfilmd door John Badham, met Richard Dreyfuss in de hoofdrol.

Whose Life Is It Anyway? gaat over een beeldhouwer, Ken, die door een auto-ongeluk vanaf de nek verlamd raakt. Hij kan niet langer zijn handen gebruiken, lopen, mes en vork vasthouden of sex hebben met zijn vriendin. Zijn voormalige leven is in een klap voorbij, hij is aangewezen op voortdurende medische assistentie.

Omdat hij zijn nieuwe leven niet kan accepteren, wil Ken er een einde aan maken. Maar in zijn toestand heeft hij daarvoor hulp nodig: hij vraagt daarom een rechter om hem uit het ziekenhuis te laten ontslaan, zodat hij ergens in stilte dood kan gaan.

Na een rechtszaak willigt een rechter zijn verzoek in, tegen de wil van de behandelende artsen.

Wiens leven is het?

Uitgebracht in een tijd waarin het euthanasie-debat in vele landen speelde, is het verhaal in zekere zin achterhaald, in die zin dat er nu geen rechtszaak met uitgebreide advocatenbetogen meer aan te pas zou komen. Maar de kern van het dilemma blijft hetzelfde, en de titel van het stuk geeft het pregnant weer: van wie is je leven eigenlijk?

De formulering, met het uitdagende ‘eigenlijk’ (‘anyway’ is nog wat sterker) suggereert dat je leven hoe dan ook van jezelf is. En de moraal van het stuk luidt dat je er dan dus ook zelf over mag beschikken. Je mag doorleven, ook na een verschrikkelijk ongeluk, maar een bijna volledige verlamming kan ook reden zijn het bijltje erbij neer te gooien. Het is allemaal aan jou. Het dilemma wat de rechter moet oplossen is dan ook niet of Ken een einde aan zijn leven mag maken of niet: het vraagstuk is of hij dit weloverwogen doet, of dat hij in de greep van een depressie is – en zijn besluit niet rationeel. Dan zou de beslissing niet serieus genomen hoeven worden en op zijn minst moeten worden uitgesteld.

Het antwoord op de titelvraag is dus – eigenlijk – vooraf al gegeven. Je leven is van jou. Nu lijkt dit een open deur, een pleonasme, misschien wel. Van wie zou je leven anders zijn dan van jou? En dat klopt natuurlijk ook. Jouw leven is jouw leven – niet het leven van je moeder, of je broer, of je vrouw, of je dochter. En, zo impliceert de film met zijn moderne seculiere moraal, je leven is ook niet van God, van een of andere hogere macht. Het is van jou, een autonoom individu die een eigen leus mag maken of het leven voortgezet wordt.

So far so good.

Wat ik echter wil bezien is wat het betekent dat jouw leven ‘van jou’ is. Wat wil het bezittelijk voornaamwoord hier zeggen? Wat voor soort bezit is een leven? Een heleboel dingen zijn mijn bezit, een heleboel dingen zijn ‘van mij’. Maar mijn rechten op die dingen zijn niet allemaal gelijk, en ik kan over lang niet alle zaken vrijelijk beschikken.

Soorten bezit

Sommige zaken zijn duidelijk van mij en ik kan er mee doen wat ik wil. In mijn klerenkast liggen sokken die ik niet meer mooi vindt of die niet lekker zitten. Als ik ze weggooi kraait daar geen haan naar. Tenminste… zelfs als niemand op de hoogte is, is er nog altijd een stemmetje in mijn hoofd dat zegt: sokken gooi je alleen weg als ze helemaal versleten zijn. En als mijn vrouw zou weten van mijn handeling, dan zou ze vragen of ik bruikbare spullen echt weg wil doen. Het zou in haar ogen, en in de mijne, in elk geval niet vanzelfsprekend zijn.

Zelfs bij sokken die ik gekocht heb van mijn eigen geld, die ik jaren gedragen heb en nu wil vervangen door mooiere, nieuwere, beter passende: zelfs daar is mijn bezit niet onomstotelijk en onbegrensd. Zelfs in dit geval zouden mensen, inclusief mijzelf, waarschijnlijk niet zeggen: het zijn nu eenmaal jouw sokken, doe ermee wat je wilt. Zelfs in dit geval zou het ertoe doen hoe de sokken eraan toe zijn. Zeker, juridisch sta ik in mijn recht als ik ze in de prullenbak kieper. Maar moreel, dat is een andere zaak. Ik kan de sokken namelijk ook bewaren voor later, voor een moment dat ze misschien weer goed van pas komen. Ik kan ze ook weggeven aan een ander. Misschien kan ik ze aan de kringloop doneren, of aan het Leger des Heils.

En zo gaat het denk ik met alle dingen die we ons bezit noemen. Ze zijn van ons om te gebruiken, maar niet per se om weg te gooien. Dan komt er meer bij kijken. Zaken zomaar wegwerpen of stuk maken, zoals in een potlatch, dat is in onze maatschappij niet echt aanvaardbaar.

Als dit al geldt voor zaken die onomstreden van mij zijn en die weinig waarde hebben, omdat ze in grote hoeveelheden geproduceerd worden – hoe zit het dan met dingen aan het andere uiterste van het spectrum, waardevolle zaken waarbij mijn relatie tot hen maar moeilijk in termen van ‘bezit’ kan worden omschreven?

Neem mijn lichaamsdelen. Stel, ik ben niet tevreden over mijn ringvinger, omdat hij een keer gebroken is geweest en daarom een beetje krom staat. En een snijwond heeft wat groei van wildvlees veroorzaakt, wat hem nog minder aantrekkelijk maakt (allebei echt waar). Mag ik die vinger daarom afsnijden? Het is immers mijn vinger.

Het antwoord zal duidelijk zijn: iedereen zou me voor gek verklaren. Geen dokter zou aan die operatie meewerken. En dat geldt ook voor vervanging door een kunstvinger, dat zou iedereen krankzinnig achten. (Anderzijds: een cosmetische ingreep, waardoor hij gecorrigeerd zou worden, zou wel aanvaardbaar zijn.)

Wat zou wel een goede reden zijn een lichaamsdeel op te geven? Ik denk: als het een offer is, en als er iemand mee geholpen zou zijn.

Als mijn zus een nier nodig zou hebben, zou ik waarschijnlijk wel een nier opofferen om haar leven te redden – ik zou er dan immers nog eentje over hebben. Mijn zus zou blijven leven en ik zou nog een zus hebben: win-win.

Maar wat als ik zelf nog maar een enkele nier zou hebben? Dan zou een donatie uit den boze zijn. Daarom kun je ook geen hart doneren. En niemand geeft tijdens het leven een oog weg, ook al heb je er daar ook twee van – je hebt ze immers allebei nodig om goed te zien.

De verkeerde vraag

Bij elk van die voorbeelden kun je denk ik dezelfde vraag stellen als bij Kens doodswens: wiens vinger is het eigenlijk, wiens nier, wiens hart, wiens ogen? En bij elk van die vragen zou ik antwoorden: van mij. Mijn vinger, mijn nier, mijn hart, mijn ogen. En toch zou niemand vervolgens zeggen: dan mag je ermee doen wat je wilt.

Mijn lichaam is van mij, maar ogenschijnlijk niet mijn bezit. Ik kan er sommige dingen mee doen (verfraaien, vervangen van kapotte onderdelen) maar andere niet (goede of onmisbare delen weggeven).

Op een bepaalde manier is ‘wiens leven is het eigenlijk?’ dus niet de goede vraag, want die vraag doet er niet toe. Mijn leven is van mij, weliswaar, maar dat het van mij is betekent niet dat ik er mee doen kan wat ik wil. Net zomin als met mijn lichaam, of zelfs met mijn sokken.

Wat ik met mijn lichaam en met mijn leven kan doen, hangt ervan af hoe het ermee staat. Is mijn been verbrijzeld door een ongeluk, dan mag ik het uiteraard vervangen door een kunstbeen. Als mijn leven niets meer waard is, mag ik het beĆ«indigen. Maar daarbij gaat het er niet om dat ik dit oordeel vel, als ‘houder’ van dit leven, maar dat een rationeel, gezond mensenverstand die beslissing kan begrijpen en hetzelfde zou oordelen.

Of ik er een einde mag maken hangt er, in morele zin, vanaf of mijn leven dusdanig verloopt dat beƫindigen een redelijke strategie is. Ik moet overduidelijk lijden en verbetering moet onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk zijn. Het gaat er niet om of ik het kan verdragen en ik mijn situatie als uitzichtloos ervaar, maar of andere mensen in mijn positie dat ook zouden doen. Niet iedereen, dat is niet nodig, maar genoeg.

Dit houdt in dat in sommige situaties mensen niet ‘het recht’ hebben om er een einde aan te maken en zeker niet om daarbij assistentie te krijgen. Dat klinkt misschien hard, maar het is het tegenovergestelde. Het is de uitdrukking van een behoefte om elke mensenleven waarde toe te kennen, tot voor iedereen duidelijk is dat die waarde op fatale wijze verminderd is.

Feitelijk is dit, door alle wetsartikelen en precedenten heen, ook de redenering die de rechter in Whose Life Is It Anyway? volgt. Hij verplaatst zich in Kens toestand van totale, uitzichtsloze hulpeloosheid en oordeelt dan dat hijzelf dan best ook de wens zou kunnen hebben om dood te gaan – dat dit een redelijke wens is en Ken dus volledig rationeel is, in staat om een weloverwogen besluit te nemen.

Want feitelijk gaat het er is gevallen van euthanasie niet om wiens leven het betreft. Het gaat erom dat het lot van Ken het lot van iedereen zou kunnen zijn – en dat velen in die situatie zouden denken als hij.

Wiens leven is het eigenlijk? Dat van ons allen.