532. Als een herder

Posted on 29 jan 2026 in Blog, Featured

532. Als een herder

Filosofen onderzoeken menselijk denken en de begrippen die daarin gebruikt worden. Vrijheid. Moraal. Het Goede. De Waarheid. Filosofen proberen begrippen te begrijpen. Ze denken over denken.
So far so good.

Maar waar komen begrippen vandaan? Hoe ontstaan ze, hoe worden ze opgeroepen?
Douglas Hofstadter en Emmanuel Sander hebben in hun Surfaces and Essences (2013) overtuigend betoogd dat begrippen de neerslag vormen van het maken van analogieën. Het gebruiken van begrippen, zo luidt hun stelling, is een vorm van waarnemen en die conceptuele perceptie is een gevolg van het vergelijken van oude en nieuwe situaties.

Zo gauw wij mensen met iets nieuws worden geconfronteerd (voortdurend, dus), proberen we daar betekenis aan te geven door het nieuwe te vergelijken met iets dat we al kennen, iets dat het belangrijke, het wezenlijke van de nieuwe situatie toont.
Wanneer we het nieuwe bekijken door de bril van het oude, maken we dus een analogie.

Bijvoorbeeld. Wanneer we heel klein zijn, is ‘mama’ nog geen begrip, maar een naam – de naam van de persoon die ons voedt, vasthoudt, knuffelt, troost etc. Wanneer we de term ‘mama’ horen en zelf gebruiken, slaat die op één persoon.
Echter. In de loop van de tijd komen we meer voorbeeld van ‘mama’ tegen. Ons vriendinnetje heeft een mama. Ons neefje heeft een mama. Onze mama heeft een mama! We vergelijken deze nieuwe instanties van ‘mama’ met de ‘originele’ versie en met elkaar, tot er op een gegeven moment een complex, gelaagd begrip van ‘mama-heid’ is ontstaan waarin onze eigen moeder wellicht nog steeds centraal staat, maar waarin andere moeders nu ook een rol spelen.

Het begrip ‘moeder’ ontstaat zo dus uit een reeks van analogieën, die min of meer ‘op elkaar passen’. Nieuwe analogieën, wanneer we ‘moederlijke’ figuren tegenkomen, veranderen het begrip. En het begrip bepaalt op zijn beurt weer wat voor nieuwe moeder-analogieën wij maken.
Zo kunnen we bijvoorbeeld het begrip ‘moeder’ zo uitbreiden, dat we over een koningin als een ‘moeder des vaderlands’ kunnen praten. Die verbinding van moeder en koningin beïnvloedt dan vervolgens weer de manier waarop we in verschillende situaties naar een koningin (als een moederfiguur) en naar een moeder (als een koningin van het gezin) kijken.
Begrippen en analogieën zijn twee kanten van één medaille.

Herder

Als we eenzelfde analyse toepassen op het begrip ‘herder’, wat zien we dan?

Stel, we komen bij een wandeling of fietstocht langs een kudde schapen, die begeleid wordt door een man of vrouw. De persoon noemen we dan een ‘herder’. De meesten van ons zullen het begrip zo hebben aangeleerd, met de oerwaarneming van een mens met een kudde schapen of geiten (of een cowboy met koeien). In Nederland zien we die herders met kuddes niet zo vaak meer, omdat geiten nu op de boerderij worden gehouden voor hun melk en schapenwol nauwelijks meer gebruikt wordt. Maar soms vangen we een glimp van een kudde op in een natuurgebied, waar schapen worden gehouden als natuurlijke grasmaaiers – en soms zelfs aan de rand van een stad.

Wat houdt het begrip ‘herder’ hier in? Wat behoort tot onze waarneming (of zou dat doen, als we de herder lange tijd zouden volgen)?

We zien de herder de kudde leiden. Het is de herder die de richting aangeeft, die bepaalt waar de schapen kunnen grazen. Als een schaap ziek wordt, is het de herder die er een veearts bijhaalt. Als er gevaar dreigt, bijvoorbeeld van een wolf, is het de herder die de schapen tracht te beschermen (misschien met een hek, misschien met honden, misschien wel met herdersstaf of geweer). De herder waakt over een schaap dat op het punt staat een lammetje te krijgen en helpt het bij complicaties.

Het zal wellicht duidelijk zijn: ik kom niet uit een pastorale cultuur en heb maar weinig kennis van herders en kuddes. En dat zal voor de meesten onder ons gelden.

Voor wie dit niet gold? Jezus Christus. Tenminste, de Jezus die geportretteerd wordt in het evangelie van Johannes en die in Hoofdstuk 10 een uitgebreide analogie tussen zichzelf en een herder maakt:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. (10:1)

Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. (10:4)

Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; maar wie een huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte. (10:11)

In navolging van Jezus hebben tal van theologen later priesters met herders vergeleken. Een priester, zo wordt de analogie uitgelegd, kent zijn schapen en de schapen kennen hem. Als er gevaar dreigt komt de priester in actie om zijn kudde te beschermen. Hij leidt de kudde naar het geestelijk voedsel dat hen doet floreren. Hij rust nooit, is altijd aan het werk, altijd waakzaam en zorgzaam.

De vergelijking van de printer met een herder is zo cliché geworden dat het een dode metafoor is geworden. We horen het niet eens meer als een vergelijking, wanneer zijn parochie of gemeente ‘kudde’ wordt genoemd. Geestelijke, priester, predikant, pastor en zielzorger gelden als synoniemen van ‘herder’.

In een grafische weergave van de synoniemen fungeren ook de begrippen coördinator, regelaar, geleider en regelmeester. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de laatste jaren managers zich als metaforische herders hebben omschreven:

Op dezelfde manier als een herder zijn kudde hoedt, hoedt de projectmanager zijn projectteam. Meestal ernaast werkend, maar soms leidend van voren of duwend van achteren managet de PM zijn team om veilig hun weiden (mijlpalen of uiteindelijke oplevering) te bereiken, en intact. […] Werkend met mensen, soms naast hen lopend om de ervaringen op de werkvloer te delen, bouwt de PM relaties en vertrouwen, net zoals een herder met zijn kudde doet… wanneer een herder de kudde door stromend water leidt, volgen degenen die hem vertrouwen hem blind, terwijl de anderen nerveus en wantrouwend blijven. Op grotendeels dezelfde manier zal een projectteam oftewel de PM volgen wanneer hij hen door moeilijke fases van het roest leidt, terwijl anderen in het team afwachtend blijven of de intenties van de PM wantrouwen… (Mo Khans Blog, een van ontelbare soortgelijke artikelen die je online kunt vinden)

Kortom, managers worden omschreven als moderne schaapherders – ze kunnen in die rol zelfs oefenen met het leiden van echte kuddes schapen, bij de mensen van Schaapfulness:

Is MINDFUL LEIDERSCHAP voor jou?

WIL JE…

  1. Dieper inzicht krijgen in de kracht van jouw leiderschapsstijl door schapen te hoeden?
  2. Meer inzicht in je omgang met stress en de begeleiding van stress onder je medewerkers? 
  3. Leren door middel van plezier en ontspanning in de buitenlucht?
  4. Meer inzicht in de kracht van Mindfulness en opmerkzaamheid in jouw leiderschap?

Wie is er voor wie?

En zo is het begrip herder door de eeuwen heen langzaam van betekenis verandert en heeft het lagen gekregen die er in de eerste tijd van pastorale volkeren niet waren. ‘Herder’ heeft de associatie met ‘priester’ gekregen, met ‘leider van mensen’, met ‘manager’. Waardoor elk van die begrippen in gebruik is veranderd.

Ik snap waarom priesters en managers (wat in veel opzichten moderne priesters zijn, zowel wat betreft hun werkzaamheden als hun positie in de maatschappij) zichzelf graag met herders vergelijken. Wat mij betreft zit er echter een enorm nadeel aan de vergelijking, die werknemers en gelovigen wantrouwig zou moeten maken. En ik begrijp eigenlijk niet waarom in tweeduizend jaar iedereen voor dat nadeel blind is gebleven.

Wanneer we priesters en managers als herders betitelen en hun parochianen of medewerkers als kudde, vraag je dan eens af: bij een herder en kudde, wie is er dan voor wie? Bestaat de herder er voor de kudde, of is de kudde er voor de herder?

Het antwoord zal duidelijk zijn: schapen of geiten of koeien zijn er voor de herder, voor hun vlees, melk of wol. Ze worden geslacht, gemolken en/of geschoren, waarna hun vlees, melk en wol wordt gebruikt, genuttigd of verkocht. Natuurlijk doet een herder zijn best om het leven van de kudde zo aangenaam mogelijk te maken, maar dat is alleen om de producten van de kudde te optimaliseren, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Priesters en managers doen het vaak voor alsof zij er alleen voor hun gelovigen of personeelsleden zijn, maar dan kunnen ze zich eigenlijk beter geen herders noemen. En als ze eerlijk zijn: zijn zij er louter voor de belangen van degenen die ze ‘hoeden’? Is het niet eerder zo dan zij werken voor de belangen van de organisatie, voor het bedrijf of voor de kerk?

Moderne leiders doen alsof zij er voor de kudde zijn, maar van oudsher is de kudde er uiteindelijk voor de herder – niet andersom. En dus mogen ze zich met recht ‘herder’ noemen. Maar die titel is niet zo onbaatzuchtig en heldhaftig als ze denken.