529. Een fatale erfenis

Posted on 7 dec 2025 in Blog, Featured

529. Een fatale erfenis

In de laatste weken heb ik de evolutie van mensen, chimpansees en bonobo’s besproken, in een poging om duidelijk te maken hoe mensen zulke paradoxale wezens zijn geworden: tegelijk de minst agressieve en de meest gewelddadige aap.

Vandaag wil ik de sluitsteen van mijn betoog plaatsen.

Het oerprobleem van mensen is, denk ik, te begrijpen als een mismatch tussen onze erfelijke aanleg en moderne omstandigheden. Het is daarom te vergelijken met een bekend modern probleem: obesitas.

In de kern is de toenemende obesitas in onze samenleving ook te wijten aan een mismatch: miljoenen jaren aan moeizame voedselverwerving, in onze levens als jagers-verzamelaars, heeft ons niet voorbereid op ons huidige bestaan als consumenten in een overvloed-maatschappij.

Voor 99% van onze geschiedenis was voedsel vaak schaars – je moest dagenlang jagen om een prooi te doden, of een dag lang scharrelen voor een paar wortels en knollen. Dus als je een keer de kans had om je vol te proppen moest je daarvan profiteren – wie wist wanneer de volgende maaltijd zou komen?

Deze neiging – pakken wat je pakken kunt – was miljoenen jaren een nuttige eigenschap, die bijdroeg aan de overleving van mensen. Maar in de huidige tijd, nu calorierijke voeding bijna overal binnen handbereik is, werkt dit evolutionair geselecteerde gedrag averechts. Het maakt ons slecht bestand tegen de voortdurende verleiding van voedsel, zeker de vette, zoete, felkleurige varianten die we in supermarkten met zo geringe moeite kunnen inslaan.

Dit is een mismatch tussen oud gedrag en moderne omstandigheden.

En hetzelfde, zo geloof ik, gebeurt er met onze overgeërfde eigenschappen op het gebied van agressie en geweld.

Geweld in de oerhorde

Mijn punt is dit: in de ‘oerhorde’, het samenlevingsverband waarin de mensaap in aapmens veranderde, is een bepaalde vorm van geweld ontstaan die bijdroeg aan het welzijn van de australopithecus, homo erectus of sapiens (of een van de tientallen andere soorten proto-mensen) die in dat verband leefde. Maar nu leven we niet meer in die groepen – en niet meer in de omgeving waarin die groepen functioneerden. En dat betekent dat we geneigd zijn tot allerlei gedragingen in de huidige situatie averechts uitpakken.

Even samengevat: in de oerhorde ontwikkelden mensen een zeer egalitaire wijze van samenleven, met gemeenschappelijke verwerving en deling van voedsel. Met het gemeenschappelijk verzorgen van de kwetsbare kinderen, die heel lang beschermd en gevoed moesten worden.

In die gemeenschappen ontwikkelde geweld de volgende karakteristieken:

  1. Conformisme. Omdat mensenkinderen jarenlang afhankelijk waren van anderen in hun groep, ook van anderen dan hun moeder, werden ze heel goed in het lezen van andermans wensen, behoeften en verwachtingen. Mensenbaby’s zijn al vanaf een paar maanden oud geïnteresseerd in waar anderen naar kijken. Binnen een paar jaar ontwikkelen ze een idee van wat andere mensen denken en voelen, plus de behoefte om andere mensen te behagen, om hun goedkeuring te krijgen en hun afkeuring te ontlopen. Kinderen groeien op tot conformisten. Ze krijgen gevoelens van schuld en schaamte, wanneer ze zich niet volgens de verwachtingen van anderen gedragen.
  2. Moraliteit. Die conformistische jonge mensen maken zich de normen van de groep eigen. Hoe gaat de groep om met voedsel, met seks, met macht? Wat voor gedrag wordt aangemoedigd en beloond, welk gedrag afgekeurd en bestraft? Wanneer worden mensen blij vanwege je daden, wanneer boos? Kinderen leren zichzelf en anderen te bezien met een morele blik: deugt het hoe iemand zich gedraagt, of niet? Is een bepaalde handeling gerechtvaardigd, of niet? Is een bepaalde situatie eerlijk?
  3. Leiding volgen. Het volgen van een leider is gerechtvaardigd in bepaalde noodsituaties, wanneer er snel en gezamenlijk gehandeld moet worden: bij een overstroming, of een aanval van een andere groep, bijvoorbeeld. Op zo’n moment is her raadzaam de persoon met de beste reputatie te volgen, al naar gelang de situatie de sterkste, agressiefste, slimste, voorzichtigste… Over deze reputaties is eindeloos gepraat, bij voorkeur aan het eind van de dag, als de groep bij elkaar zit na een dag van jagen en verzamelen.
  4. Preventieve agressie. Groepen van andere mensachtigen moeten wantrouwig worden benaderd. In principe nodigt een eenmalige ontmoeting (zie de logica van het gevangenendilemma) uit tot leugen, verraad en uitbuiting. Misschien ligt er een langduriger contact met meerdere ontmoetingen in het verschiet, dan is het te moeite waard om de zaak te verkennen en te kijken of er een win-win situatie kan worden geschapen. Wantrouwen is echter altijd gerechtvaardigd. En op een vijandige daad mag altijd een defensieve of bestraffende reactie volgen: dat is moreel gerechtvaardigd. In sommige omstandigheden is het zelfs verkieslijk om wille van de verdediging een preventieve aanval te plaatsen, en toekomstig verraad nu al te bestraffen. Ook dat kan als moreel juist worden gelegitimeerd.
  5. Ontmenselijking van de vreemden. Een groep die zich schuldig maakt aan agressie, of zich schuldig dreigt te maken aan agressie, valt buiten de grenzen van de mensheid en hoeft niet meer als een soortgenoot, een moreel wezen, behandeld te worden. In principe is zo’n wezen alleen nog maar een prooi, net als een gazelle of zwijn. Dit geldt niet alleen voor mannelijke krijgers, maar ook voor vrouwen en kinderen.
  6. Proactieve agressie. Een bestraffende of preventieve aanval wordt gepland en gecoördineerd, net zoals een jacht. Het gaat erom maximale schade aan de vijand te combineren met een minimaal risico aan de eigen lijf en leden. Geheimhouding is noodzaak, een hinderlaag is de favoriete tactiek, een numerieke meerderheid is de absolute voorwaarde voor actie. Met deze vorm van agressie bestraf je of voorkom je reactieve agressie van een alfa, of van een vreemde groep.
  7. De groepsleden die het beste in staat zijn die aanvallen uit te voeren zijn de volwassen mannen die doorgaans ook op jacht gaan. Zij zijn sneller dan vrouwen geneigd om risico’s te nemen en zichzelf op te offeren voor elkaar. Zij voorkomen dat er een agressieve alfa komt die voedsel of vrouwen monopoliseert. Of een vreemde groep die voedsel steelt.

Veranderde omstandigheden

Zolang mensen in kleine groepen van jagers en verzamelaars rondtrokken, leidden bovenstaande neigingen niet tot grote conflicten. Gemeenschappen konden elkaar voorzichtig aftasten en verder reizen als het contact niet prettig verliep. Omdat verder trekken altijd minder gevaarlijk was dan een conflict uitvechten, bleven bestraffende en preventieve aanvallen beperkt. Meestal waren de groepen die elkaar troffen ook ongeveer even groot, zodat er geen voordeel zat in een plotselinge aanval – die zou de eigen groep ook veel schade hebben toegevoegd.

Maar het belangrijkste was: met geweld viel voor een mannelijke voorouder niet zo veel te winnen. Geen macht, want de oerhordes hadden geen alfa’s. Geen voedsel, want dat viel niet te bewaren. (En een incidentele prooi of fruitboom was het gevecht niet waard.) Geen seks en nakomelingen, want door de verborgen vruchtbaarheid van mensenvrouwen was niet duidelijk hoe je meer nageslacht kon verwekken.

Al dat veranderde met de komst van de landbouw en de permanente bewoning van bepaalde plekken.

Alle eigenschappen die de overlevingskansen van de eigen groep vergroot hadden – conformisme, moraal, een leider volgen, preventieve agressie, ontmenselijking van de vreemden, proactieve agressie en mannelijke coalities – leidden nu tot geweldsspiralen.

Plotseling viel er van alles te winnen met proactieve agressie door samenwerkingsverbanden van mannen.

Vruchtbare grond. Toegang tot water voor irrigatie. Vruchtbomen en graanvelden. Kuddes gedomesticeerde dieren. Visbronnen. Vrouwen, die je seksueel kon controleren, zodat je zeker wist dat haar kinderen de jouwe waren. Al die dingen kwamen ter beschikking van permanente leiders die stabiele coalities wisten te smeden – en die dit deden door de inzet van hun reputatie en de gemeenschappelijke moraal, gebruiken van de groep.

Er was geen enkel nieuw element voor nodig om een vicieuze cirkel van geweld te ontketenen. Geen religie. Geen wet. Geen magie.

Sedentaire samenlevingen pakten de werkzame defensieve gedragingen van de jager-verzamelaars en veranderden ze in een dodelijke cocktail van preventieve, proactieve gruwelijkheden. Oorlog. Moord. Marteling. Genocide. Verkrachting. Onderdrukking.

Vervolgens kwamen er wel een heleboel culturele uitvindingen die dit geweld moesten legitimeren. Goden. Clans. Totems. Geesten. De verering van voorouders. Grenzen. Naties.

En het paradoxale is: die legitimaties van geweld zorgden ervoor dat nu de groepen bevattelijk werden voor reactieve agressie, reactief geweld.

Na de uitvinding van clans, stammen, naties, religies was er maar een kleine trigger voor nodig om de agressie van die groepen te ontketenen. Zo tolerant en slow to anger als menselijke individuen waren geworden, zo snel achtten menselijke groepen zich bedreigd, beschaamd, beledigd of gewoon gefrustreerd in hun ambities – en net zo snel werden ze ook boos en agressief. Dit gebeurt voornamelijk omdat woede een enorm aanstekelijke emotie is. Dus hoeft maar een klein deel van een groep zich aangevallen te voelen om de rest mee te slepen in een agressieve respons.

Derhalve leven we nu, na twaalfduizend jaar van sedentaire levens, in een samenleving die uniek vreedzaam is binnen de eigen grenzen, die enorme groepen mensen als medeburgers, buren en zelfs een soort familieleden kan zien – maar die even gemakkelijk enorme massa’s buitenstaanders tot onmensen verklaart, die immorele dingen doen en daarom niet meer als soortgenoten behandeld hoeven te worden.

Op hen mag worden gejaagd.