527. De tweeslachtige aap

Posted on 14 nov 2025 in Blog, Featured

527. De tweeslachtige aap

Nadat we in de afgelopen weken onze naaste verwanten, de chimpansee en de bonobo, hebben bestudeerd, gaan we tenslotte mensen vergelijken met onze mede-chimps. Hoe verschilt onze evolutie van de hunne en hoe zijn we daarom geworden wie we zijn?

Ik heb eerder uitgelegd hoe verschillende soorten ontstaan: nieuwe soorten worden op een bepaalde manier geïsoleerd van de moederpopulatie en ontwikkelen in die afzondering afwijkende karakteristieken die in hun nieuwe omgeving van voordeel zijn. Natuurlijke selectie bevordert de verspreiding van die eigenschappen – ze stapelen zich op een leiden tot een scheiding van de moederpopulatie, tot een punt waarop de nieuwe soort zich niet meer met de oude kan voortplanten.

Mensen, chimpansees en bonobo’s vormden ongeveer 8 miljoen (sommige zeggen 7 miljoen) jaar geleden een en dezelfde soort, een oervorm van chimpansees of, met de Latijnse naam, Pan. Sommigen van onze voorouders verlieten toen het regenwoud waar de andere pan-leden zich ophielden en waagden zich in droge periodes over de vlakten van Oost-Afrika. Gedurende twee miljoen jaar voegden populaties van mensen en Pan-soorten zich af en toe samen (waarschijnlijk in natte perioden waarin de jungle zich uitbreidde). Maar na twee miljoen jaar weken onze voorouders voldoende van Pan af om definitief verder te gaan als eigen, unieke soort, met unieke eigenschappen. We hebben geen fossielen uit die tijd, maar uit de vondsten van vier miljoen jaar oud laat zich afleiden dat rechtop lopen waarschijnlijk het doorslaggevende kenmerk van deze aapmensen was.

Wat aten onze voorouders? Waarschijnlijk hadden ze een mensapen-dieet van vruchten, grassen en bladeren, plus klein wild en knollen en wortels.

Een beslissende stap in onze ontwikkeling was een arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen. Mannen gingen gezamenlijk op jacht op grotere prooidieren, vrouwen werden experts in het graven naar wortels en knollen. Beide geslachten werkten nauw samen en deelden voedsel – anders dan bij chimpansees en bonobo’s. Mensen zijn de grote samenwerkers en delers, heel anders dan de andere grote apen.

Net als bonobo’s hielden mensen trekken van jonge dieren – speelsheid, nieuwsgierigheid, lange kindertijd, fysieke eigenschappen als een platte schedel en relatieve haarloosheid.

Om de jonge mensen, die erg lang moesten worden gevoed, gedragen en beschermd, te laten overleven, moesten mensen hun jongen collectief verzorgen. Niet alleen door de moeder (zoals bij de andere vier mensaap-soorten), maar ook door de vader, de oma’s en tantes, soms zelfs door niet-verwante mannen in de groep (bij andere apen zouden die mannen de jongen waarschijnlijk vermoorden).

Sarah Blaffer Hrdy heeft gepostuleerd dat deze gemeenschappelijke zorg voor kinderen ervoor heeft gezorgd dat de mens al miljoenen jaren geleden emotioneel modern is geworden, dat wil zeggen dat we de sociale emoties hebben ontwikkeld die wederkerigheid bevorderen. We vinden degene die samenwerkt aardig en worden boos op degene die alleen profiteert. We zijn dankbaar als iemand ons helpt en voelen medelijden met degene die (door jeugd, ouderdom of gebrek) niet met gelijke munt terug kan betalen. We schamen ons als we ontmaskerd worden als profiteurs en betalen voor onze misdragingen met een knagend schuldgevoel. We vertrouwen bewezen samenwerkers en wantrouwen mensen die eerder in gebreke zijn gebleven.

De bijbehorende empathie. Het inlevingsvermogen. Het vanuit andermans perspectief kunnen kijken. Het anticiperen, het manipuleren, het verschil maken tussen goed en kwaad: dat heeft ons emotioneel tot mensen gemaakt, lang voordat we anatomisch homo sapiens werden, met onze grote breinen. En lang voor de komst van taal, religie, kunst en strafrecht.

Alfa

Voedsel en de toegang tot seksuele partners wordt bij andere mensapen bepaald door je plek in de groep. Bij orang-oetans, gorilla’s, chimpansees en bonobo’s zijn er hiërarchieën bij mannen en vrouwen, waarbij een alfa-man of alfa-vrouw de hoogste positie inneemt (maar altijd leunend op een coalitie van groepsgenoten).

Om alfa te worden heb je een zekere mate van dominantie nodig: de neiging om anderen te overheersen, om met agressie te reageren op pogingen van andere apen om zich brokjes voedsel of sekspartners toe te eigenen die jij jezelf (of je bondgenoten) had toebedeeld. Of als een groepsgenoot niet voldoende respect betoont aan jou, als alfa.

Als dat gebeurt, treed je bestraffend op: je achtervolgt de boosdoener en jaagt hem of haar schrik aan, misschien wel met een (lichte) daad van geweld.

Die vorm van agressie, de reactie op de aantasting van status, is wijd verbreid onder mensapen en bepaalt een groot deel van hun groepsleven.

Maar niet bij mensen.

Mensen hebben allereerst geen alfa’s. Er is geen dominante man of vrouw die uitmaakt wat er met gevonden voedsel gebeurt. Voedsel wordt gedeeld door de gehele groep. En mannen en vrouwen kiezen zelf hun seks-partners, dat wordt niet voor hen bepaald door de alfa.

Mensen kennen sinds miljoenen jaren zeer egalitaire groepen, waarin bullebakken, pestkoppen en ‘afpakkers’ op allerlei manieren worden ontmoedigd en bestraft.

Alle samenlevingen van jager-verzamelaars veroordelen en bestraffen moord, ongeoorloofd gebruik van gezag, bedrog, liegen, diefstal en ondermijnend seksueel gedrag. Boosdoeners krijgen te maken met vijandige opmerkingen, spot, schaamte, uitsluiting, negeren, uitstoting of – in het uiterste geval – de dood.

Waarschijnlijk hebben onze voorouders het precies zo gedaan.

Twee vormen van agressie

De vorm van agressie die alfa-dieren kenmerkt is de reactieve agressie (RA), die wordt getriggerd door bepaald gedrag van anderen – iets dat de agressieve persoon mishaagt of waardoor hij of zij zich bedreigt voelt. De persoon met RA wordt dan in een oogwenk boos, vijandig en soms gewelddadig. Daarbij verliest die persoon soms zelfs de controle.

RA is, zoals het begrip al zegt, een reactie – op een (gevoelde) belediging, een gevoel van schaamte, fysiek gevaar of gewoon frustratie. Reactieve agressie heeft geen ander doel dan de negatieve prikkel weg te halen, vaak door de provocerende persoon aan te vallen.

Tegenover reactieve agressie staat proactieve agressie (PA), die heel anders werkt. PA is geen impulsieve reactie maar een geplande, roofdierachtige, instrumentele vorm van agressie. Hij leidt tot een bewuste aanval met als doel een bepaalde beloning – niet het simpelweg verwijderen van een bron van angst of frustratie. PA hoeft ook niet gepaard te gaan met heel veel emotie, zoals bovenmatige woede – al wordt de PA uiteindelijk natuurlijk wel gemotiveerd door emoties.

De proactieve agressieve persoon wordt gemotiveerd door iets wat te winnen valt: geld, macht, controle, seks, voedsel. Het verlangen naar deze zaken staat echter niet voorop in de daad van agressie, maar de berekening van kosten en baten.

RA is verbonden met onze neiging tot zelfverdediging, de vecht-of-vlucht impuls wanneer we met een acute bedreiging worden geconfronteerd. PA komt voort uit ons jacht-instinct.

Beide vormen van agressie kunnen samengaan. Wanneer de ‘prooi’ zich verzet en de jacht een echt gevecht wordt, neemt onze RA het over, inclusief een grotere mate van woede – dit verklaart ook de grote wreedheid tegenover slachtoffers die zich niet netjes bij hun dood neerleggen en ‘het wagen terug te vechten’.

Maar beide vormen van agressie kunnen ook los van elkaar bestaan. Roofdieren hebben veel PA en weinig RA, prooidieren precies andersom.

PA tegen de alfa

Mensen hebben, zoals gezegd, geen echte alfa’s – alleen tijdelijke leiders in complexe situaties of noodgevallen, wanneer er geen tijd is om het met de hele groep eens te worden over een plan.

Primatoloog Richard Wrangham gelooft dat we weinig dominante figuren met een grote mate van RA hebben omdat we deze figuren door PA hebben uitgeschakeld. In onze jager-verzamelaar tijd (99% van onze menselijke geschiedenis) zijn we mensen die teveel RA hadden gaan uitselecteren, omdat hun gedrag teveel nadelen had voor samenwerking binnen de groep. Hoe deden we dit? Door met een groep, een coalitie, te beraadslagen over wat we met de lastige would be-alfa zouden doen: terechtwijzen, bespotten, beschamen, doodzwijgen, uit de groep gooien – of misschien wel doden.

Omdat wij mensen superieure samenwerkers zijn, waren we hiertoe veel beter in staat dan andere mensapen, die wel af en toe in opstand kwamen tegen alfa’s, maar dan altijd maar af moesten wachten op ze door groepsgenoten gesteund zouden worden. Zo’n machtsgreep kon ook helemaal fout aflopen doordat je medestanders je op het beslissende moment lieten stikken. Een betrouwbare coalitie smeden met meer dan 1 of 2 apen lukt bij onze verwanten al helemaal niet.

Wij mensen kunnen, zeker sinds we het instrument van taal hebben, in grote groepen plannen smeden die dagen, weken of maanden vooruit kijken. Geen enkele alfa is veilig voor een samenzwering. En bullebak-gedrag, met talloze kleine confrontaties, is geen manier om een machtsbasis te bouwen. De kans dat de alfa met een groot vertoon van RA de eigen ondergang inluidt, is levensgroot aanwezig.

Met andere woorden: in onze menselijke geschiedenis heeft de ene vorm van agressie (PA) ertoe geleid dat de andere (RA) zo goed als is verdwenen, tenminste als we onszelf vergelijken met chimpansees en bonobo’s. Maar onze aanleg tot PA is zo groot dat we, in bepaalde situaties, in staat zijn ongelofelijke aantallen slachtoffers te maken. Chimpansees kunnen misschien 1 of 2 apen doden bij hun overvallen. Een paar duizend slachtoffers is niets, in een menselijk groepsconflict.

Volgende keer meer!