Er waren eens drie chimpansees. Dat klinkt als een verhaal uit de sprookjes van Grimm, maar het is de huidige situatie in het dierenrijk, als we naar classificatie van soorten kijken. Veel biologen voegen chimpansees, bonobo’s en mensen daarin namelijk samen onder de bovensoort (genus) Pan.
In navolging van geograaf Jared Diamond zie ik mensen als de derde chimpansee-soort: dus als Pan sapiens, naast Pan troglodytes en Pan paniscus. Mens, chimpansee, bonobo.
De drie soorten hebben heel veel gemeenschappelijk – 98 procent van hun DNA bijvoorbeeld. Maar belangrijker, om iets te leren over onze huidige wereld: ze vertonen veel overeenkomsten in capaciteiten en gedrag.
Alle drie leven ze in groepen, met een neiging om daarin een hiërarchie te vormen, waarin je domineert of ondergeschikt bent. Er is in die groepen een levendige strijd om de hoogste rang, bij zowel mannen als vrouwen, die elk een eigen orde hebben. Er zijn geen leden die graag ondergeschikt zijn, daarom schuilt er steeds het gevaar (of de kans) op een opstand. Ondergeschikten vormen daarom bij elke soort coalities om de alpha-man of -vrouw te ondermijnen of ten val te brengen.
De volgende verwante soort, die van de gorilla’s, kent slechts zelden een revolutie tegen de alpha. Bij chimpansees en bonobo’s gebeurt het regelmatig. Bij mensen vaak.
Alle drie de chimpansees zijn in staat om te leren en zaken via cultuur over te dragen. Bij alle chimpansees lijken de individuen een ‘zelf’ te hebben, een duidelijke eigen persoonlijkheid.
Alle chimp-groepen zijn territoriaal, met op zijn minst wantrouwen jegens soortgenoot-buren. Ze jagen gemeenschappelijk op prooidieren en eten vlees, het zijn alledrie omnivoren. Het vlees wordt gedeeld binnen de groep, maar niet in elke soort op dezelfde manier.
Verschillen
Dat zijn de (belangrijkste) overeenkomsten. Maar er zijn ook belangrijke verschillen.
Genetisch onderzoek heeft uitgewezen dat mensen zich tussen 5 en 7 miljoen jaar geleden hebben afgesplitst van de andere twee chimpansees. En een paar miljoen jaar later, ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden, gingen chimpansees en bonobo’s uiteen.
In die lange, lange tijd zijn de drie soorten verder uit elkaar gegroeid, zodat er nu grote verschillen zichtbaar zijn.
Het voornaamste verschil: chimpansees zijn onderling veel agressiever dan mensen (mannen tegen vrouwen, mannen en vrouwen onderling) en confrontaties tussen groepen zijn altijd gewelddadig. Bonobo’s zijn onderling agressiever dan mensen, maar vechten nooit met andere groepen. Mensen zijn in tal van opzichten een tussenvorm: we vechten onderling veel minder dan chimpansees en bonobo’s en kunnen ook prima samenwerken met andere groepen – maar wanneer we toch oorlog voeren zijn we minstens zo wreed als chimpansees, en veel dodelijker.
Hoe zijn de drie soorten zo uit elkaar gegroeid?
Sommige biologen (primatologen, onderzoekers van apen en mensapen) en antropologen hebben daar wel wat ideeën over.
Wetenschappers als Richard Wrangham, Dale Peterson, Christopher Boehm, Sarah Blaffer Hrdy en Frans de Waal hebben de laatste decennia veel gepubliceerd over de drie soorten, hun verschillen en overeenkomsten.
Valt er een gemeenschappelijke lijn te vinden in hun werk?
Allereerst zijn biologen het wel eens over de wijze waarop nieuwe soorten ontstaan.
Wanneer een deel van een populatie dieren of planten geïsoleerd raakt van de rest, en een nieuwe omgeving bewoont, kunnen spontane veranderingen in het DNA zorgen voor nieuwe eigenschappen. Sommige van die eigenschappen zullen dan bijdragen aan de overleving en voortplanting in die nieuwe omgeving, andere niet. De individuen met voordelige eigenschappen zullen zich vaker voortplanten dan anderen en hun eigenschappen doorgeven, zodat die kwaliteiten de nieuwe populatie gaan domineren.
Soms wordt het isolement van de nieuwe populatie snel genoeg opgeheven om zich weer bij de grote groep te voegen en daarin verder te gaan. Dat is met mensen en de rest van de chimpansees waarschijnlijk een miljoen jaar lang, af en aan, gebeurd. Maar op een gegeven moment waren mensen zo verschillend geworden van de andere chimpansees dat ze als zelfstandige soort fungeerden.
Een paar miljoen jaar later is hetzelfde gebeurd met bonobo’s of chimpansees – welke groep zich heeft afgescheiden en is doorgegroeid tot een zelfstandige soort weten we niet.
Zeker is dat alle drie de Pan-soorten zich na de splitsingen hebben doorontwikkeld, maar misschien niet in hetzelfde tempo (mensen hebben zich in veel verschillende habitats gevestigd, terwijl bonobo’s nog in het zelfde oerwoud leven en dus waarschijnlijk meer lijken op hun voorouders).
Het is verleidelijk om naar chimpansees en bonobo’s te kijken en te denken: zo zag de gemeenschappelijke voorouder eruit. Maar dat is bijna zeker niet het geval. In duizenden generaties zijn alle soorten beslist veranderd. Met andere woorden: geen van de drie – chimpansee, bonobo, mens – geeft weer hoe de Oer-Pan eruit zag. Of nog anders gezegd: we weten niet hoe die voorouder eruit zag en hoe hij leefde. Het kan zijn dat hij leek op vroege mensen van vier miljoen jaar geleden. Of op bonobo’s van nu. Of nog anders. We weten het niet. We kunnen alleen aan de gemeenschappelijke Pan-trekken die ik boven opsomde aflezen hoe de vork ongeveer in de steel zat.
We kunnen dus niet naar moderne, oorlogvoerende chimpansees kijken en concluderen dat de Oer-Pan dat ook deed. Of naar de seksende bonobo’s en daaruit opmaken dat dat gedrag ‘oer’ is.
Wat we wel kunnen zeggen: dat de potentie voor die patronen er zeven miljoen jaar geleden er ook al in zat.
Alle chimpansees zijn in staat tot daden van agressie en daden van grote tederheid en zorgzaamheid. Dus zeer waarschijnlijk zat dat er ook al in bij de Oer-Pan – en zijn die eigenschappen niet drie keer, onafhankelijk van elkaar, ontstaan.
Mensen lijken in tal van opzichten op chimpansees en in weer tal van andere opzichten meer op bonobo’s. Die overeenkomsten hebben twee oorzaken:
- We delen met deze soorten een gemeenschappelijke voorouder en hebben de aanleg tot tal van gedragingen geërfd.
- De ontwikkeling van alle soorten gaat langs bepaalde, voorspelbare wegen: alle levende wezens moeten aan bepaalde dingen voldoen en tonen daarom de bijbehorende overeenkomsten.
Voedsel en sex
Om iets door te kunnen geven aan een volgende generatie moet elk dier of elke plant voldoen aan twee zaken: in leven blijven en jezelf voortplanten. Voor het eerste heb je voedsel nodig, voor het tweede, sinds de uitvinding ervan twee miljard jaar geleden, sex met iemand van het andere geslacht.
Hoe je voedsel krijgt en hoe sex is dus van cruciaal belang in het organiseren van je leven. Voedsel verkrijgen (rapen, plukken, oogsten, jagen, ‘azen’ als bij aaseters) is zo belangrijk dat veel van je tijd erom draait – en veel van je sociale leven. Een ander belangrijk deel is georganiseerd rondom het vinden van een ‘broedpartner’. Weer een ander deel rondom het opvoeden van de nakomelingen. Dit laatste niet bij alle dieren, maar wel bij onze klasse, de zoogdieren.
Deze drie delen hebben grote invloed op elkaar: er zijn soorten die alleen jagen en verzamelen en dat werkt dan heel anders dan bij soorten die samen jagen maar in hun eentje verzamelen, of soorten die alles gemeenschappelijk doen.
Dieet, sex, opvoeding – dat zijn de cruciale ingrediënten van het sociale leven. En wat je eet, en met wie, en vooral hoe dat eten verdeeld wordt, is daarbij het belangrijkste. Alle staat of valt immers met eten, wanneer je daar niet genoeg van krijgt komt er immers helemaal niets van sex en nakomelingen.
In de komende weken wil ik daarom uitleggen hoe gemeenschappen van chimpansees, bonobo’s en mensen functioneren door te beginnen met de wijze waarop ze voedsel verkrijgen. dan zullen we zien hoe de groep – mannen en vrouwen – hierdoor samen optrekt (of niet), wat weer invloed heeft op hoe de soort omgaat met sex en voortplanting. Af en toe zullen we een uitstapje nemen naar Pans naaste verwanten, gorilla’s en orang-oetans, om te zien hoe het bij die soorten gaat en hoe Pan het anders aanpakt.
Aan het eind van onze vergelijking zal dan hopelijk duidelijk worden waarom een genus (Pan) dat zoveel overeenkomsten vertoont toch in drie totaal verschillende soorten uiteen valt. En hopelijk zien we dan ook hoe de oorspronkelijke hypothese, dat onze sociale emoties – ontstaan uit herhaalde prisoner’s dilemmas – onze chauvinisme en xenofobie verklaren, moet worden aangevuld.
Samen gaan we op zoek. We beginnen bij Great Pan, The Piper at the Gates of Dawn, zoals schrijver Kenneth Grahame hem genoemd heeft (met een andere bedoeling, toegegeven). En we eindigen bij de Mens.
