523. De derde chimpansee

Posted on 7 okt 2025 in Blog, Featured

523. De derde chimpansee

Twee jaar geleden analyseerde ik op deze plek hoe onze moraal is geëvolueerd: door de ontwikkeling van sociale emoties die mensen laten samenwerken met win-win uitkomsten voor henzelf en betere resultaten voor de groepen waarin ze fungeren.

In het kort was mijn idee dit:

Om het ontstaan van samenwerking uit te leggen kunnen we het beste het menselijk verkeer als een web van herhaalde prisoner’s dilemma’s zien. Dat wil zeggen: als twee mensen, Ad en Bea, elkaar tegenkomen hebben ze vier keuzes/mogelijkheden:

Coöperatie (zowel Ad als Bea wordt hier beter van). Ik geef jou een banaan, jij geeft mij water. Win-win.
Ad werkt samen (geeft banaan) maar Bea niet (in speltheorie-termen, zij deserteert). Ad verliest hier en Bea wint – en meer dan bij wederzijdse samenwerking. Lose-win.
Ad deserteert en Bea werkt samen (tegengestelde uitkomst). Win-lose.
Zowel Ad als Bea deserteren/werken niet samen. Ze verliezen niks, maar omdat ze ook niet krijgen wat ze willen, is er toch sprake van wederzijds verlies: lose-lose.

De paradox – of tragedie – van het prisoners dilemma is dat zowel Ad als Bea wordt verleid tot D, volgens de volgende ijzeren logica: 

Als Ad voor C kiest, is Bea beter af door D te kiezen: dan heeft zij de maximale winst. En als Ad voor D gaat, kan ze dat ook beter doen: zo beperkt ze haar verlies. En voor Ad geldt hetzelfde: D is altijd de veiliger keuze, wat Bea ook doet. Zodat Ad en Bea feilloos op DD uitkomen, terwijl ze bij CC allebei meer zouden hebben gekregen.

Decennia hebben wetenschappers geprobeerd om dit dilemma op te lossen en ze zijn daar niet in geslaagd. Tot mensen bedachten dat je bij herhaalde gevangenen-dilemma’s het beste samen kunt werken – niet deserteren. Op de langere termijn levert samenwerken meer op dan verraden omdat mensen na één of enkele ervaringen met een Deserteur geen C meer kiezen en zich niet meer blootstellen aan verraad. Wat de verrader veroordeelt tot een lange reeks van DD. De strategie die vaker – zo vaak mogelijk – tot CC leidt levert meer op en daardoor worden verraders weggeconcurreerd.

Essentieel voor de ontwikkeling van CC-strategieën is hierbij dat Ad en Bea in een niet te grote groep leven en elkaar vaker tegenkomen. Dus als Ad ‘verraden’ wordt door Bea, weet Ad dat bij de volgende ontmoeting nog en zal hij weigeren samen te werken. De winst van Bea is dan dus eenmalig – op de langere termijn kost het haar veel meer, door opeenvolgende ‘deserties’ van Ad. (En nog meer als zij in de groep de reputatie van deserteur krijgt.)

Sociale emoties

Onder deze omstandigheden is het volgens bioloog Robert Trivers (en mij) redelijk dat de ontwikkeling van de volgende emoties wordt bevorderd:

aardig vinden – we werken samen met wie we aardig vinden en met wie we samenwerken vinden we aardig;
woede – we worden kwaad op deserteurs, omdat ze ons benadelen en het web van samenwerking beschadigen;
dankbaarheid – als we geen geschikt ruilmiddel hebben, compenseren we dat door dankbaarheid te geven;
sympathie – als we niet genoeg terugkrijgen, compenseren we dat zelf door de begunstigde met sympathie(medelijden) te bezien;
schuld – we voorzien dat onze desertie wordt ontdekt en nemen al een voorschot op de ‘bestraffing’ door onszelf te schaden;
schaamte – onze desertie is ontdekt en we bestraffen onszelf om woede te ontlopen;
vertrouwen – we geven ons bloot aan mensen die bovenstaande emoties tonen;
wantrouwen – we wijzen samenwerking af met mensen die sociale emoties niet voelen of lijken te veinzen.

Dus. Eind goed al goed. Sociale emoties reguleren de gang van zaken in onze samenlevingen en bevorderen samenwerking: liefde, opoffering, dankbaarheid, medelijden, schuld en schaamte. Een gevoel van trouw zorgt ervoor dat we onze ‘fabrieksstand’ coöperatie is.

Toch?

Wij en Zij

Het probleem wat resteert is dat het bovenstaande alleen opgaat voor mensen binnen een groep – voor mensen die al bewezen samenwerkers zijn en die al in samenwerking bepaalde collectieve doelen (van 2 personen of misschien wel van de hele groep) hebben verwezenlijkt. Het geldt niet voor iemand van buiten de groep.

Stel, je bent een jager-verzamelaar van 50.000 jaar geleden die op reis is buiten het gebied van zijn groep. Je komt een onbekende jager-verzamelaar tegen. Wat moet je doen? In principe bevind je jezelf nu weer in een eenmalig prisoner’s dilemma en is je meest logische keus om niet samen te werken. Dus wissel je geen water en voedsel uit – misschien tracht je wel de ander te beroven.

Of. Je wilt in principe wel samenwerken. Misschien herken je de herkomst van de ander: hij komt van een stam die beroemd is om hun scherpe pijlpunten. Jij bent juist van de befaamde oker-producerende groep. Zouden jullie kunnen ruilen – oker voor pijlpunt? Dat zou win-win zijn en wellicht zou je zelfs een handelsrelatie kunnen aangaan, een herhaald gevangenen-dilemma.

Waarop baseer je jouw openingsbod, jouw strategie – jouw keuze voor C of D? Het antwoord van de wetenschap luidt: op niet-toevallige patronen die een hoger-dan-verwachte kans op frequenties van positieve interacties geven. Dat is een mondvol, maar het betekent simpelweg dat de onbekende reiziger bepaalde kenmerken vertoont (of niet) die hij deelt met mensen uit jouw groep – mensen met wie je al hebt samengewerkt. Het zijn kenmerken die voor jou erop wijzen dat met deze persoon óók succesvol kan worden samengewerkt. Bijvoorbeeld: hij heeft hetzelfde uiterlijk (huidskleur, haar, ogen) als jij. Hij kleedt zich zoals jij. Hij praat zoals jij. Hij heeft dezelfde goden. Hij bezit dezelfde wapens. Hoe meer overeenkomsten, hoe meer jullie elkaar zullen vertrouwen. Hoe minder, hoe onwaarschijnlijker samenwerking is. En hoe groter de kans op een rotsvaste strategie van DDDDD… tegen alle mensen van buiten.

Mensen hebben – door de millennia heen – haarfijne triggers ontwikkeld voor signalen van samenwerking en verraad. Van kenmerken van bewezen samenwerkers – de kenmerken van je eigen groep, van de Wij. Neurologisch onderzoek heeft uitgewezen dat het gezicht van iemand van een ander etnische groep binnen 50 milliseconden een reactie van de amygdala uitlokt – van het hersendeel dat woede en angst activeert. Terwijl in een fractie van een seconde een gezicht van onze eigen groep het fusiforme aangezichtshersengebied in actie laat komen, het deel waarmee we gezichten herkennen. Met andere woorden, wanneer we iemand van onze eigen groep zien, is onze eerste reactie: wie is dit? En als we iemand van een andere groep zien is onze eerste reactie: is dit een bedreiging?

Uit onderzoek weten we dat we zelfs een hormoon hebben dat ons gedrag jegens Wij en Zij beïnvloedt. Oxytocine zorgt ervoor dat we beter met Wij samenwerken, maar minder met Zij. Iets wat toch opmerkelijk genoemd kan worden, ik heb immers geen hormoon dat me tegelijk meer van katten laat houden en minder van honden. Maar kennelijk is het Wij-Zij onderscheid voor mensen heel belangrijk.

Onze sociale emoties, de emoties van Robert Trivers, werken bij Wij ook heel anders dan bij Zij. We vinden Wij aardiger dan Zij. We worden eerder en erger boos op een Zij die ons verraadt dan op een Wij. Bij iemand van Ons hebben we het over een rotte appel, bij een verraderlijke buitenstaander zeggen we: zo zijn Zij. We zijn ook dankbaarder jegens een insider als die ons een dienst bewijst dan jegens een outsider, en we hebben meer medelijden met een in nood verkerende Ons dan met een lijdende Hunnie. Bovendien voelen we meer schuld en schaamte voor het in de steek laten van een groepsgenoot dan wanneer we een iemand van een andere groep belazeren.

Niet het hele verhaal

Dit was mijn analyse van twee jaar geleden. Ik denk nog steeds dat hij veel verklaart van hoe onze emoties en gedragingen richting andere mensen en andere groepen zijn ontstaan. Maar ik denk nu ook dat dit niet het hele verhaal kan zijn.

Waarom niet? Omdat wij een afkomst delen met twee soorten chimpansees, de pan troglodytes (‘gewone chimpansee) en pan paniscus (bonobo of dwergchimpansee). We hebben met deze twee soorten zoveel gemeen (zoals 98 % van ons DNA) dat auteur Jared Diamond ons zelfs de ‘derde chimpansee’ heeft genoemd (pan sapiens, zou je kunnen zeggen). Andere onderzoekers hebben bepleit de twee soorten in het overkoepelende genus Homo op te nemen: homo troglodytes en homo paniscus.

Probleem voor mijn analyse is dat alle voorwaarden voor een soortgelijke morele ontwikkeling als bij mensen ook bij chimpansees en bonobo’s bestaan, maar dat deze mensapen zich heel anders hebben ontwikkeld. Waarschijnlijk delen we met beide onze sociale emoties, maar groepen chimpansees en groepen bonobo’s functioneren heel anders dan groepen mensen.

Chimpansees voeren oorlog tegen buitenstaanders, net als wij, maar ze werken onderling lang niet zo goed samen. Bonobo’s vormen wel zeer eendrachtige groepen, maar ze zetten zich lang niet zo duidelijk af tegen andere groepen bonobo’s, en oorlog is hen onbekend.

Dus het verhaal van het herhaalde gevangenendilemma en de daardoor ontstane sociale emoties is niet compleet. Er moet iets in de ontwikkeling van de drie chimpansees hebben plaatsgevonden dat de drie soorten uit elkaar heeft gedreven, zodat ze zich nu, ondanks alle gelijkenissen, heel anders gedragen tegenover hun eigen soortgenoten.

Wat is dat geweest?

Volgende keer ontmoeten we een aantal wetenschappers die deze divergentie menen te kunnen verklaren!