520. De beste sitcom ooit

Posted on 15 sep 2025 in Blog, Featured

520. De beste sitcom ooit

In de afgelopen weken heb ik verschillende vormen van humor geanalyseerd, om te kijken wat iets precies grappig maakt. Mijn oorspronkelijke hypothese, dat humor draait om het breken van impliciete regels die door het irreguliere gedrag zichtbaar worden, bleek goed bruikbaar bij de analyse van sitcoms/sketches, moppen en allerlei visuele vormen van humor.

Ik zou nu de weken vol kunnen maken door elke week een nieuwe vorm van humor te beproeven, maar dat laat ik als uitdaging aan de lezer. Voor mijn eigen plezier – en dat van u – wil ik uitleggen waarom de Amerikaanse comedy Frasier de beste situation comedy of sitcom ooit is.

Klasse

Humor is een zaak van regels. Regels waarvan we ons eerst niet bewust zijn, maar die plotseling worden overtreden, en dan beseffen we wat we altijd al wisten.

Wanneer die regels dichter bij onze emoties liggen, zijn ze extra grappig. Ik bedoel daarmee: wanneer er een regel gebroken wordt in een situatie die ons aan het hart gaat, dan heeft dat meer impact – qua grappigheid – dan wanneer de regel ons niet echt interesseert.

De grappigste regels hebben te maken met de rollen die we spelen in het sociaal verkeer – wanneer we te maken hebben met familie, met liefde, sex, werk. Dat zijn omstandigheden waarin tal van regels spelen, zoveel regels dat we ons maar van een fractie bewust zijn.

Bij Frasier draait de komedie om het spel tussen vader en zoon, werkgever en werknemer, man en (ex-)vrouw, broer en broer, vriend en vriend, rivaal en rivaal, collega en collega, allemaal ontmoetingen en confrontaties waar tal van onuitgesproken verwachtingen bestaan en waar onze emoties een grote rol spelen.

En, niet uniek, maar van speciaal belang bij Frasier: het draait voor een groot deel om status en klasse, om sociale regels, om de normen die bevestigd of geschonden worden wanneer mensen van verschillende maatschappelijke posities elkaar ontmoeten.

Klasse heeft te maken met allerlei zaken die we bewust of onbewust opmerken in het dagelijkse verkeer. Hoe iemand zich kleedt, kapt, siert. Hoe iemand praat. Hoe iemand het huis inricht, de tuin bijhoudt. Wat voor hobby’s iemand heeft. Wat voor muziek iemand mooi vindt, wat voor films, wat voor boeken (en of er überhaupt gelezen wordt).

In bovenstaande kerst- en nieuwjaarsfragmenten uit Frasier blijkt de sociale positie van de hoofdrolspelers uit welke cadeau’s ze krijgen en geven; welke kerstkrans ze op de deur hangen; hoe ze de kerstboom versieren; wat voor kleren ze zichzelf en hun hond aantrekken; hoe een kerstliedje gezongen wordt; welk restaurant er wordt uitgezocht; of er in een camper wordt gereden; welke alcoholische drank er wordt genuttigd.

En zoals bij feestdagen, tonen we elke dag door al onze gedragingen, voorkeuren, wensen, kleren, woorden, kapsels, volume van spreken, auto’s, vakanties, enzovoort, enzovoort, welke sport op de maatschappelijke ladder we innemen.

De humor? Die vindt vooral plaats wanneer twee mensen van verschillende niveau’s elkaar ontmoeten en er achter komen in elke zaken ze allemaal verschillen.

Wat Frasier uniek maakte was dat in de rollen bijna alle klassen van de toenmalige Amerikaanse samenleving zichtbaar waren. Dat leidde tot een opeenstapeling van klasse-ontmoetingen en klasse-botsingen.

Paul Fussell

Precies een decennium voor de sitcom begon, in 1983, publiceerde socioloog Paul Fussell een boekje, Class, waarin hij de klassenstructuur van de VS uiteenzette. Tegenover de veelgebruikte driedeling Upper Class, Middleclass en Lower (Working) Class stelde Fussell dat er in Amerika eerder negen klassen bestaan, namelijk de volgende (die ik nu wel in het Nederlands vertaal):

  1. Top uit-het-zicht bestaat uit mensen die zo rijk zijn (oud geld) dat ze villa’s bezitten die vanaf de weg niet eens zichtbaar zijn. Daar verschansen ze zich, of op een Grieks eiland. Ze zijn discreet met hun geld, om niet de aandacht van oplichters of kidnappers te trekken.
  2. De bovenklasse is ook rijk, maar werkt daar ook voor – een beetje. Ze runnen banken of stichtingen, zitten in raden van bestuur. Ze wonen in protserige villa’s, zichtbaar vanaf de weg. Buitenlandse Zaken recruteert uit deze laag, en de Eerste Kamer (in de VS de senaat).
  3. De bovenste sport van de middenklasse wordt bezet door mensen wier enige doel is bij de bovenklasse te behoren. Hier is alle rijkdom zelf verworven: in advocatuur, geneeskunde, olie, luchtvaart of handel in respectabele zaken als kunst of onroerend goed. Het verdiende geld wordt ingezet om zoveel mogelijk op de bovenklasse te lijken (bijvoorbeeld door kunst te kopen of paard te rijden).
  4. De middenklasse wordt niet zozeer afgebakend door geld als door ijver en onzekerheid. Als je jezelf steeds afvraagt wat anderen van je denken en als je nooit kunt ophouden je uiterste best te doen: dan ben je een lid van de middenklasse. Niemand maakt zich meer druk om de maatschappelijke positie dan iemand in de middenklasse – bang om af te glijden en begerig om op te klimmen.
  5. Hoog-proletariaat. Dit zijn de mensen die geschoold zijn en een behoorlijk goede baan hebben, maar de speelbal zijn van economische krachten. En van modes, trends, reclames, bevliegingen en sociale epidemieën. Grootste angst: verlies van status.
  6. Ook het midden-proletariaat is geschoold, maar laag geschoold, in uitvoerend werk dat zo weg kan worden bezuinigd, of geautomatiseerd. Grootste angst: verlies van baan.
  7. De lage proletariërs zijn ongeschoold. Vroeger vond je ze in de haven of op het land, nu in de kassen, slachthuizen en distributiecentra. Hun grootste angst is verder te kijken dan het volgende maandloon.
  8. Berooiden kunnen niet voor zichzelf zorgen, ze leven van uitkeringen of liefdadigheid. Ze zijn wel zichtbaar, in de zin dat ze door hulpverleners worden bijgestaan en ze, als daklozen, verslaafden en verwarden, het straatbeeld kleuren.
  9. Bodem uit-het-zicht. Deze mensen zijn door alle kieren geglipt en wonen in instellingen of in een tentje in een bos.

Ik denk dat de wereld van 2025 niet meer exact hetzelfde uitziet als in 1983, maar nog steeds grote overeenkomsten vertoont in haar sociale opbouw. In elk geval had de Amerikaanse samenleving ten tijde van Frasier (1993-2004) nog wel hetzelfde stramien als dat wat Fussell schetst.

Humor

Het is duidelijk waar hem de humor zit, bij klassen: in confrontaties tussen klasse 3 tot en met 6. Dit zijn de mensen die er om geven waar ze zich ten opzichte van anderen bevinden, die proberen op te klimmen of in elk geval niet af te glijden. Zij zijn zich bewust van zowel de eigen ambities als de eigen kwetsbaarheid. Aan hun maatschappelijke status zijn emoties verbonden.

De effectieve structuur van Frasier is het samenspel van representanten uit deze vier klassen, met belangrijke bijrollen voor klasse 1, 2 en 7. (In berooiden en zwervers zit niet veel humor.)

Hoofdrolspeler Frasier is net als zijn broer Niles lid van de boven-middenklasse. Ze doen alles om op de bovenklasse te lijken – in hun woordkeus, hun dictie, hun liefde voor opera, wijn, haute cuisine en kunst. De plot van meerdere afleveringen bestaat eruit dat de broers indruk proberen te maken op leden van de echte bovenklasse, waartoe ze zo graag toe zouden willen treden. Uiteraard falen die pogingen steeds weer en beseffen ze aan het eind dat ze tevreden te moeten zijn met wat ze in hun leven (een generatie) hebben bereikt: een sprong van hoog-proletariaat naar boven-middenklasse. In hun onzekerheid over hun status zijn Frasier en Niles trouwens meer echte middenklassers, zeker Niles, die in een tweeslachtige positie zit en waarschijnlijk daarom zo onzeker is: hij is namelijk getrouwd met Maris, een letterlijk onzichtbaar karakter uit de Top uit-het-zicht categorie. Maar hij behoort, als praktiserend psychiater, zelf niet tot die laag – en na zijn scheiding duikelt hij prompt naar klasse 5, hoog-proletariaat. (Vanwaar hij door zijn opleiding en de alimentatie van Maris weer opklimt naar boven-middenklasse.)

Hun vader Martin is hoog-proletariër, trots op zijn verleden als politie-agent, maar rancuneus omdat hij (door een verwonding) gedwongen met pensioen is gestuurd. Daardoor is hij de status kwijtgeraakt die bij geschoolde arbeid hoort. In zijn smaak (bier, luie stoel, hond, tv) is hij misschien zelfs wel laag-prole (zoals Orwell het zou noemen), een aanwijzing welke status zijn ouders waarschijnlijk hebben gehad.

Frasier’s collega en vriendin Roz is ook hoog-prole, doordat ze naar het HBO is geweest. Maar haar instincten zijn eerder midden-prole, haar smaak is vergelijkbaar met die van Martin, met wie ze het goed kan vinden – en aan status lijkt ze niet erg gehecht.

Daphne, tenslotte, de huishoudelijke hulp van Frasier, is duidelijk laag-prole. Afkomstig uit een arbeidersgezin uit het Engelse Manchester is ze in alles de tegenpool van Niles, met wie ze een onwaarschijnlijke, maar daardoor komische en ontroerende, liefdesgeschiedenis beleeft:

    Dus. Elke aflevering van Frasier zit tjokvol botsingen tussen mensen van verschillende klassen, met de bijbehorende overtredingen van sociale regels. Plus dat je de regels hebt van broederlijke verhoudingen, van vader-zoon relaties, van situaties op het werk, van romantische liefdes en seksuele ontmoetingen. The stuff of comedy, which is the stuff of life.

    Daarom is Frasier het leukste dat tv in mijn leven heeft voortgebracht, denk ik.