In ons onderzoek naar de werking van humor is het nodig naar verschillende vormen te kijken. Wat ik vorige week heb geschreven over een beroemde scene uit Fawlty Towers kan wel alleen voor drama gelden, of misschien wel alleen voor sitcoms.
Vandaag wil ik daarom een genre behandelen dat wel zeer van sketches/scenes afwijkt: moppen.
Moppen
Hoewel het natuurlijk mogelijk is om moppen te vertellen in het kader van een sketch of sitcom, is de meest voorkomende situatie toch die van een moppenverteller in een sociale situatie – op een feestje, in een kroeg of op een schoolplein (ik herinner me hoe benijdenswaardig de vertolker van de ‘laatste mop’ op het schoolplein was).
Wat maakt een mop meer of minder grappig? Misschien kunnen we dat het beste begrijpen als we twee moppen met dezelfde clou naast elkaar leggen. Onze voorbeelden komen uit Giselinde Kuipers’ boeiende proefschrift over moppen, Goede humor, slechte smaak:
Madonna heeft er geen, de paus heeft er een maar gebruikt hem niet. Kok heeft een korte, en Bolkestein heeft een lange. Wat is het? Een achternaam.
Een juffrouw belooft degene die haar raadsel oplost een verrassing. Eerste raadsel: het loopt op een boerderij, het is gevlekt en het geeft melk. Jantje steekt zijn vinger op en zegt: ‘Een koe.’ Zegt de juf: ‘Dat is goed, maar ik bedoelde een geit.’ Volgende raadsel: ‘Het loopt op de boerderij, het heeft veren, en het legt eieren.’ Jantje steekt weer zijn vinger op en zegt: ‘Een kip.’ Zegt de juf: ‘Dat is ook goed, maar ik bedoelde een gans.’ Jantje heeft de pest in en zegt dat hij de juf ook een raadseltje op wil geven. Hij zegt: ‘Het is hard en droog als je het in je mond stopt, en het komt eer zacht en vochtig weer uit.’ Juf krijgt een rood hoofd, en Jantje zegt: ‘Dat is goed, maar ik bedoelde kauwgum.’
Beide moppen zouden nagenoeg identiek zijn geweest als je de tweede zo had geformuleerd:
Het is hard en droog als je het in je mond stopt, en het komt er zacht en vochtig weer uit. Wat is het? Kauwgum.
In deze vorm zouden allebei de moppen een beetje leuk zijn, met indirecte en enigszins verrassende verwijzingen naar een penis. In de lange vorm is de mop van Jantje echter veel leuker. Hoe komt dat?
Wat de tweede versie grappiger maakt is de opbouw: drie vragen met hetzelfde antwoord, waarbij de analogie tussen het derde raadsel en de eerste twee impliciet blijft, maar duidelijk over komt. Leuk is ook dat het antwoord van de juf (‘een penis’) alleen gesuggereerd wordt door haar rode hoofd.
Humor gaat over regels, zei ik vorige keer al, en in de tweede versie worden meer en uitgebreidere regels gesteld: er is een sociale situatie tussen volwassen juf en kleine jongen (‘Jantje‘) met al zijn voorwaarden en verwachtingen; er is een vraag- en antwoordspel met regels die in de twee eerste raadsels worden gevestigd en dan geparafraseerd; er is de omfloerste omschrijving van een penis; er is de schaamte van de juf, duidelijk uit haar blos; er is de (verrassende)overeenkomst tussen kauwgum en penis. Bij elke impliciete verwijzing naar een regel wordt de ‘architectuur’ van de mop duidelijker, zodat de uiteindelijke clou, identiek aan die van de achternamen-grap, nu veel sterker is.
Tijdens het vertellen van moppen wordt voortdurend een beroep gedaan op onze kennis van regels, op onze ervaring van hoe de wereld in elkaar zit. Op de structuur van alles – van logica en grammatica tot wat etiquette en spelregels betreft. Die structuren van de wereld worden nergens expliciet genoemd, ze worden alleen aangeduid en bekend verondersteld. Als twee structuren (eigenschappen van achternamen en penissen, eigenschappen van zaken die je in de mond neemt) dan plotseling overlappen zien we ineens regels waarvan we ons eerst niet bewust waren, en die verrassing ervaren we als grappig. En de grap is helemaal sterk omdat er een paar ‘zware’ seksuele regels worden gebroken: dat een leerling tegen zijn volwassene niet over seks mag beginnen, en al helemaal niet een jongen tegenover een vrouwelijke docent. En dat een ‘juf’ niet geacht wordt aan seks te doen, en al zeker niet aan orale. We waren ons van die regel waarschijnlijk niet eens bewust, maar nu, door de mop, beseffen we het.
Cruciaal is echter dat de geschonden regel impliciet is, dat er alleen naar verwezen wordt – dat een toehoorder tussen de regels door moet luisteren. Zo gauw we de regels zouden opsommen en de grap uit zouden leggen (zoals in mijn exegese), zou de humor meteen weg zijn. Er zijn daarom ook minder manieren om een sterke grap te maken dan hem te verpesten. Omdat te doen zou ik alleen maar een impliciete regel hoeven op te noemen of een verwijzing uit te leggen: “En de juf wordt rood, want die denkt natuurlijk aan een penis en aan orale sex, en Jantje begrijpt waarom ze rood wordt, dus die zegt: ‘Dat is goed, maar ik bedoelde een kauwgum.'” En meteen is de humor weg. De verrassing van de clou is er nog wel, maar hij werkt niet meer goed door de omweg, via een expliciete uitleg van het blozen.
Emoties
Er zijn meerdere theorieën over humor die uitgaan van de emoties die de grap opwekt, niet de logische vorm ervan. Voorstanders van deze school zeggen dan dat iets grappig wordt gevonden als er een regel wordt overschreden en als de grap ten koste van iemand gaat.
Op het eerste gezicht lijkt dit voor de bovenstaande voorbeelden op te gaan: er worden duidelijk emoties opgeroepen door het wraak-motief en de verhouding volwassen-kind. Jantje voelt zich weggezet en neemt wraak, en we kunnen ons daarbij ook nog eens extra verkneukelen omdat een ondergeschikte partij (een kind, een leerling) het de superieure volwassen docente betaald zet.
Dat agressie de humor volledig verklaart wil er bij mij echter niet in. De emotie draagt bij aan het effect, zeker, maar veroorzaakt de lach niet, volgens mij. Dat blijkt uit twee andere voorbeelden van Kuipers, waarbij de agressieve intentie hetzelfde is en de emotie overeenkomt, maar de ene versie veel ‘grappiger’ is dan de andere.
Vooraf: het betreft hier racistische grappen uit de jaren negentig, die altijd al op een bepaalde publiek gericht waren. Als je niet tot dat publiek behoort, kun je er de humor waarschijnlijk niet van inzien en er helemaal niet om lachen – hoewel, misschien toch een beetje. Ongewild. Maar zelfs als je eerste reactie walging en afkeer is: probeer dat gevoel aan de kant te schuiven en zo objectief mogelijk te oordelen welke mop leuker is.
Hier komen ze:
Een racist in Amsterdam stapt altijd ’s avonds in zijn auto en gaat Turken aanrijden. Op een avond stapt hij in zijn auto en rijdt weg. Dan loopt er een Turk. Hij geeft gas, kijkt in zijn achteruitkijkspiegeltje, en ja hoor, dood. Zo gaat het nog een paar keer. Dan staat er een pastoor te liften en de man neemt hem mee. De man ziet weer een Turk, maar hij denkt: ik zal hem niet doodrijden, ik rijd er vlak langs. Als hij er voorbij is kijkt hij in zijn achteruitkijkspiegeltje en ziet dat de Turk toch dood is. Zegt de pastoor: ‘Het is maar goed dat ik de deur opendeed, anders had je hem gemist.’
Wat is het verschil tussen een aangereden konijn en een aangereden Turk? Bij een Turk zie je geen remsporen.
Qua agressie is er geen verschil tussen de twee moppen, een racist zal zich door beide moppen geprikkeld, gestreeld en bevestigd gevoeld hebben. Desondanks merkt Kuipers terecht op dat de eerste mop duidelijk veel leuker is. En ze schetst ook waarom dat zo is: behalve dat het verbod op etnische agressie wordt overtreden, is er nog de onverwachte bevestiging van die overtreding door de pastoor.
In de eerste mop worden veel meer regels geïmpliceerd dan in het tweede voorbeeld, dat slechts een enkele (ongepaste) regel veronderstelt: dat mensen spijt hebben van het aanrijden van een konijn en niet van een Turk (en dus absurderwijs de tegengestelde en voor ons vanzelfsprekende regel suggereert dat het erger is om een mens aan te rijden dan een konijn). In de langere mop zijn er meerdere regels die via een omweg aan de orde komen. De zinsnede ‘… stapt altijd ’s avonds in zijn auto en gaat Turken aanrijden’ stelt een regel die een absurde gewoonte weergeeft – in het laconieke van de formulering lijkt het wel een hobby. Net zo werken de formuleringen ‘en ja hoor, dood’ en ‘zo gaat het nog een paar keer’. Vervolgens wekt het instappen van de pastoor de verwachting dat de aanrijdingen hun einde zullen vinden – wat voor de bestuurder dan inderdaad ook geldt, maar niet voor zijn passagier, wat nog eens (als uitzondering) de regel onderstreept dat pastoors geen moordenaars zijn.
Als de agressie-proponenten gelijk hadden, zouden beide grappen even leuk zijn, omdat de emotie (walging of bevredigende instemming) in beide gevallen gelijk zou zijn. Maar zelfs de geschokte moderne antiracist zal toegeven dat er in de eerste mop meer humor zit. Niet omdat hij meer of minder racistisch, meer of minder agressief is, maar omdat er meer regels worden geïmpliceerd – door hun overtreding.
Dus. Ik mag, denk ik, constateren dat onze analyse van vorige keer nog recht overeind staat en ook voor het genre van moppen opgeld doet. De vraag is natuurlijk, of dat ook voor andere soorten humor geldt – er zijn er immers tientallen.
Volgende keer onderzoeken we visuele humor in strips en prenten!
