Sinds ongeveer vierentwintighonderd jaar volgen de meeste mensen Aristoteles in het tellen van onze zintuigen: dat zijn er vijf. In zijn befaamde werk over de menselijke ziel Peri psuches, vooral bekend geworden onder de Latijnse titel De Anima, somt de filosoof ze op: zicht, gehoor, reuk, smaak en tast.
Na een beschrijving van deze zintuigen in boek II probeert Aristoteles aan te tonen dat er niet meer en niet minder dan vijf zintuigen kunnen zijn, maar dat betoog is zeldzaam wazig en onlogisch. In het vervolg geeft hij bovendien zelf al aanzetten tot een uitbreiding, in de beschrijving van verbeelding (fantasia).
Die beschrijving is ook weer niet bijzonder helder, maar in elk geval wordt eruit duidelijk dat Aristoteles snapte dat puur het waarnemen door een zintuig niet voldoende is. Ergens moeten we ook een orgaan hebben dat waarnemingen samenvoegt tot iets wat bruikbaar is. En in een ander werk, De Sensu, oppert hij zelfs dat er ook een vermogen moet zijn om zintuigelijke waarnemingen op te slaan, zodat je ze kunt vergelijken met vorige.
Middeleeuwen
Waar Aristoteles niet zo ver ging om deze twee andere vermogens ‘zintuigen’ te noemen, deden opvolgers in de Middeleeuwen dat wel. Denkers als Avicenna en Albertus Magnus betoogden dat er naast de vijf ‘uitwendige’ zintuigen ook meerdere inwendige organen moesten zijn die de input van deze zintuigen gebruiken – en dat we die net zo goed onder de zintuigen kunnen plaatsen. Daarmee wezen wetenschappers het oorspronkelijke beeld van Aristoteles af, maar uit eerbied voor de (toen alomtegenwoordige) Vader van Alle Wetenschappen maakten ze wel een lijst van vijf interne zinnen, zodat die de vijf externe van Aristoteles zouden spiegelen.
In totaal kwamen de middeleeuwers dus uit op tien zintuigen, vijf inwendige en vijf uitwendige.
Uitwendig was het rijtje van Aristoteles, dat we nog steeds hanteren: zicht, gehoor, reuk, smaak en tast.
Inwendig hadden we geheugen, instinct, verbeelding, fantasie en sensus communis, waarvoor geen geschikte Nederlandse term bestaat. Ruwweg (verschillende denkers leggen net weer andere accenten en maken verschillende onderscheiden), en beginnend bij het vijfde vermogen, doen ze dit:
- Sensus communis is niet ‘de verzamelde opinie van alle mensen’ of wat de Engelsen ‘common sense’ noemen, een soort algemene basis van kennis en logisch redeneren (“dat weet toch iedereen”). Het is de samenvoeging van informatie uit de vijf uitwendige zintuigen, zoals we wanneer we een sinaasappel proeven en uit zicht, gehoor, tast, reuk en smaak concluderen dat we een zoete en sappige sinaasappel eten.
- Fantasie (vis phantastica) valt nog niet zo gemakkelijk te onderscheiden van verbeelding (vis imaginativa), maar ik denken dat we het verschil zo moeten begrijpen dat verbeelding beelden vasthoudt die zijn waargenomen en dat fantasie die beelden bewerkt door ze te te combineren of te verdelen. Dus in de verbeelding vinden we de waarnemingen van ‘goud’ en ‘berg’, waarop fantasie een ‘gouden berg’ creëert.
- Verbeelding hebben we dan behandeld, en dan komen we bij
- Instinct oftewel inschatting (vis aestimativa): het vermogen om te zien welke praktische betekenis een waarneming voor ons heeft. Bijvoorbeeld voor een koe: die plant, dat is gras, dat kan ik eten. Of: dat kalf is van mij, dat moet ik voeden.
- De vijfde faculteit is geheugen, niet echt moeilijk te vatten, al is het voor ons raar dat de middeleeuwers het als zintuig kwalificeerden.
Dus. Voortbouwend op Aristoteles kwamen geleerden duizend jaar geleden tot een heel ander rijtje dan wat we nu hanteren, of wat tweeduizend jaar geleden overtuigend geacht werd. En het lijkt voor de hand te liggen om het klassieke en moderne perspectief superieur te vinden aan het middeleeuwse.
Maar.
Ik denk dat er in die middeleeuwse aanpak een waardevol inzicht schuilt, een inzicht dat we beter niet kunnen wegschuiven. Ik denk
- dat er hoe dan ook meer dan vijf zintuigen zijn
- dat de scheiding tussen in- en uitwendig niet zinvol is
- dat er een zesde en zevende zintuig zijn (of een zestiende en zeventiende) die heel belangrijk zijn en ons, als mensen, maken tot wat we zijn.
Extra zintuigen
Dat er meer zintuigen zijn dan de voornoemde vijf, is de laatste eeuw wel duidelijk geworden uit wetenschappelijk onderzoek.
Moderne fysiologie rekent bijvoorbeeld ook proprioceptie (van proprio = eigen en percipere = waarnemen), de waarneming van het eigen lichaam, bij onze zintuigen. Dat je met je ogen dicht je vinger op je neus kunt leggen: dat is proprioceptie. Je kunt door dit zintuig beseffen waar je lichaamsdelen zich bevinden in relatie tot elkaar, en hoe ze door de ruimte bewegen.
En dan is er thermoceptie, de waarneming van de temperatuur – dat je aanvoelt hoe warm of koud het is, en hoe de temperatuur verandert.
Knijp jezelf in je arm en voel de pijn: dat is nociceptie. Ga op een been staan, of balanceer een boek op je hoofd: dat is equilibrioceptie, de waarneming van je balans (of van gebrek daaraan). En als je altijd weet in welke richting je moet gaan, dan heb je een goed gevoel van magnetoreceptie. Dat gevoel voor oriëntatie is in mensen nooit zo sterk ontwikkeld als in, pakweg, trekvogels, maar het schijnt dat sommige mensen het meer hebben, andere minder – en dat je het kunt oefenen.
Schoonheid en humor
En dan zijn er zintuigen die doorgaans niet zo geclassificeerd worden, maar die ik toch zo willen noemen. Bijvoorbeeld ons gevoel voor schoonheid, of humor.
Engelsen of Duitsers hebben het in deze gevallen over eenzintuig hebben: een sense of een Sinn. A sense of beauty. Ein Sinn fur Humor.
Ik denk dat het waarnemen van schoonheid, of iets grappigs zien, in onze omgeving, beter met de werking van oog of neus kan worden vergeleken dan met een gevoel als plezier of droefenis (hoewel de scheidslijn vaag is, zoals bij de waarneming van pijn of duizeligheid).
Bij schoonheid gaat het duidelijk om het waarnemen van iets, een element in de zintuiglijke omgeving, dat sommige mensen wel hebben en andere niet, of in elk geval in meer of mindere mate aanwezig is. Ondanks de verschillende mate van aanleg vertonen mensen echter een grote overlap in wat ze mooi vinden, een overeenkomst die ongetwijfeld het gevolg is van onze evolutie.
Alle mensen vinden bijvoorbeeld dezelfde soorten landschappen mooi. Zoiets als dit

of

kan overal ter wereld op instemming rekenen (al kunnen we deze universele instemming ook als kitsch leren afkeuren). Ik heb hier niet de ruimte om te speculeren over de oorzaak van deze overeenstemming, maar er is een reden waarom onze hersenen dit als ‘mooi’ ervaren. Net zoals diezelfde hersenen kunnen wegsmelten bij muziek als deze (en het is niet voor niks dat die aan ‘mooie’ landschappen gekoppeld is):
In zowel muziek als landschap zit een patroon van afwisseling en herhaling – herhaling die niet saai is en afwisseling die niet te spannend wordt. Er zitten duidelijk herkenbare elementen in en zaken met een zeker mysterie, een bepaalde ambiguïteit. Er valt wat te voorspellen, maar je kunt je in die voorspelling ook vergissen.
En soortgelijke patronen zitten er in poëzie of abstracte kunst of architectuur. Dat we die patronen waarnemen, via verschillende ‘uitwendige’ zintuigen, wijst volgens mij op een ‘inwendig’ zintuig voor schoonheid – in de geest van Avicenna.
En net zo zit het met humor.
Eerder heb ik betoogd dat humor ook veel met patronen te maken heeft, met wat Ludwig Wittgenstein de grammatica van de situatie heeft genoemd.
Wittgenstein bedoelde daarmee niet bepaalde taalregels, die uitmaken of een bepaalde zin correct gevormd is – hij bedoelde het totaal van regels in een bepaald taalgebruik en uiteindelijk in een bepaalde levenswijze van een bepaalde gemeenschap
Alleen als je die regels kent kun je de humor van een verhaal begrijpen en erom lachen.
Dat is ook meteen de reden waarom grappen zo moeilijk te vertalen zijn, niet alleen van taal naar taal, maar van gemeenschap naar gemeenschap. En waarom humor zo cultureel gebonden is.
Bij humor uit een andere cultuur (dat kan een hele maatschappij maar ook een subcultuur zijn) kan het heel goed zijn dat ik niet alle regels ken die nodig zijn om een bepaalde grap te begrijpen. Ik weet bijvoorbeeld de gangbare ideeën over oud en jong niet, of over mannen en vrouwen.
Zelfs een subcultuur van twee mensen (twee vriendinnen, broer en zus, man en vrouw) kan al eigen regels hebben die bepaalde grappen alleen voor hen leuk maken – en voor buitenstaanders flauw of zelfs geheel onbegrijpelijk. (Soms hoor je dan aan de toon dat er iets grappig bedoeld moet zijn, maar de humor ontgaat je.)
Maar simpelweg de spelregels van een bepaalde situatie of gebeurtenis kennen en begrijpen is niet voldoende om ergens ‘de grap’ van in te zien. Dat inzicht moet ook plotseling, verrassend en plezierig zijn.
Hoe werkt dan onze humoristische waarneming? Daarover valt nog wel wat meer te zeggen, de volgende keer!
