Al vaker heb ik het op deze plek over Oedipus gehad en over Sofokles’ onsterfelijke tragedie Oidipous Turannos. Na bijna 2500 jaar blijft dit stuk een onuitputtelijke bron van psychologisch inzicht en morele wijsheid, wat je eindeloos kunt herlezen.
Deze keer wil de figuur van Oedipus (ik hou de gangbare Latijnse versie van de naam aan) bezien in het licht van mijn hypothese over de fatale hamartia – het ‘foute idee’ zoals dat gedefinieerd is door Aristoteles, de fatal flaw die mensen in een tragische situatie doet belanden. Is het inderdaad zo dat die misvatting tot hun verdoemenis voert? En klopt het, zoals ik denk, dat elke tragische ondergang in de 33 klassieke tragedies die er bewaard zijn, op het conto van een hamartia kan worden geschreven?
Zoals ik eerder heb betoogd, ontstaan tragedies uit melodramatische plots, waarbij de logische fout van de hoofdpersoon, de hamartia, niet op tijd wordt ingezien en gecorrigeerd. Aangezien er vijf melodramatische soorten plots zijn, zijn er ook vijf soorten hamartia.
De Vijf plots zijn Het Monster Overwinnen, Vodden Tot Vermogen, Queeste, Reis en Terugkeer, Verlossing. De bijbehorende hamartiae zijn
- de tegenstander is een monster (en aan mij is niets monsterlijks)
- succes is gelijk aan geluk
- het doel heiligt de middelen
- je kunt terug naar vroeger
- er zijn definitieve oplossingen
Kan de ondergang van Oedipus aan een of meer van deze misvattingen worden toegeschreven?
Monster
De eerste en belangrijkste hamartia in Oidipous is het idee dat de hoofdpersoon de grote held is die in dienst van Thebe monsters verslaat. En dat dus alle tegenstanders monsters zijn.
Het is niet dat dit idee nergens op gebaseerd is. Voor zijn aankomst in de stad heeft Oedipus namelijk de Sfinx overwonnen, het monster met leeuwenlichaam en vrouwenhoofd. In een bergpas vlak bij Thebe dwong het monster reizigers een raadsel op te lossen: lukte hen dat niet, dan gooide de Sfinx hen in de afgrond. Dat dit een ongunstig effect had op handel en toerisme mag duidelijk zijn.
Oedipus lost bij zijn passage het raadsel wel op (welk wezen gaat in de ochtend op vier benen, in de middag op twee en ’s avonds op drie?) waarop de Sfinx zich van de berg stort. Oedipus wordt als held ontvangen, trouwt met koningin-weduwe Jokaste en bestijgt de troon.
Vijftien jaar later, als Oedipus een succesvol vorst is die door de Thebanen bijna als een god wordt vereerd, wordt de stad geconfronteerd met monster nummer 2: de pest. Hoe die te verslaan? Oedipus stuurt zijn zwager Kreon naar het orakel van Delphi en de broer van Jokaste komt terug met de mededeling dat Thebe alleen van de pest bevrijd zal worden als de moordenaar van Jokaste’s eerste echtgenoot, Laios, zal worden bestraft. Die moordenaar is monster nummer 3.
De overwinning op de Sfinx overtuigt Oedipus ervan dat hij ongetwijfeld ook monsters 2 en 3 zal aftroeven. Hij heeft oneindig vertrouwen in zijn eigen capaciteiten, vooral in zijn intellectuele vermogens. In een gesprek met ziener Teiresias zet hij zijn eigen verstand af tegen dat van zijn tegenstander. Teiresias heeft indertijd de Sfinx niet kunnen overlisten, Oedipus wel:
“Ik, Oedipus, de man die niets weet, kwam en maakte er een eind aan. Want ik had kennis, maar niet van de vogels.”
Met dat laatste bedoelde hij de gewoonte om uit de vlucht van vogels iets af te leiden, wat een standaardpraktijk was bij priesters en profeten.
En niet alleen is Oedipus slimmer dan al zijn opponenten, hij is ook beter. De rest, dat zijn allemaal monsters. Tegenliggers op een driesprong, de moordenaar van Laios, Teiresias, Kreon (die de ziener tegen hem heeft opgestookt om Oedipus te onttronen). Oedipus is absoluut geen monster, integendeel: heeft hij niet, toen het orakel voorspelde dat hij zijn vader zou doden en moeder zou huwen, zijn geliefde Korinthe verlaten om zelfs niet per ongeluk zijn ouders, koning Polybos en koningin Merope, wat aan te doen?

Oedipus is de verpersoonlijking van hamartia nummer 1: ik ben geheel goed, mijn tegenstanders zijn geheel slecht. Zij zijn monsters, ik ben een god (misschien alleen in het diepst van mijn gedachten, om de Olympische goden niet te verstoren).
Terwijl wij, kijkers en lezers, weten: Oedipus is een wandelende tegenspraak. Hij is de vreemdeling die geboren Thebaan is, de oplosser van raadsels die zelf een raadsel is, de rechter die zelf een misdadiger is, de ziener die blind is, de redder die de vloek is. De held die het monster is.
En, zoals koor het stelt aan het slot van Oidipous: de meest benijdenswaardige man op aarde en tegelijk de meest beklagenswaardige:
Nooit heeft burger zonder afgunst naar zijn voorspoed opgezien
en in welke stormende van rampen is hij nu gestort!
Queeste
En Oedipus trapt nog in een andere val, die van de melodramatische Queeste: hij gaat door roeien en ruiten om zijn doel te bereiken, hij offert alles op, hoewel mensen hem van zijn eigen ondergang proberen te weerhouden.
Allereerst tracht Teiresias hem af te houden van zijn zoektocht naar de moordenaar van Laios. Hier kan niets goeds van komen, waarschuwt de ziener, spaar mij, de stad en uzelf en laat wat verborgen is verborgen blijven. Wat Oedipus alleen maar boos maakt en hem verleid Teiresias te provoceren, tot die eindelijk toegeeft en Oedipus van de moord beschuldigt. Wat de koning niet tot bezinning brengt, maar hem ertoe brengt een geplande coup van Teiresias en Kreon te verzinnen.
Een paar bedrijven later, als koningin Jokaste de waarheid beseft, probeert ook zij Oedipus’ onderzoek te stoppen en de komst van de beslissende getuige, een oude herder, te voorkomen:
Nee, bij de goden, als uw eigen leven
voor u nog iets is, laat dat zoeken varen!
Wat ik hier lijden moet is reeds genoeg
Wee! Wee!
Rampzalige, dit is mijn laatste woord,
en nooit roep ik u een ander toe!
Waarop ze zich naar haar vertrekken begeeft en zich verhangt.
Bij de climax wordt de doorslaggevende getuige, de herder die Oedipus als baby heeft overgedragen aan een Korinthische collega, door Oedipus ondervraagd. En ook hij wil niet getuigen, tot Oedipus hem bedreigt en hij de waarheid over zijn herkomst onthult. Waarop Oedipus beseft dat hij, precies zoals het orakel voorspelde, zijn vader heeft gedood en zijn moeder gehuwd.
Wee, wee mij! Alles wordt nu duidelijk
O licht! u zie ik thans de laatste maal
nu bleek wie ik ben: vervloekt voor mij geboorte,
bloedschendig levend, vadermoordenaar.

Oedipus heeft zijn queeste voltooid en is erdoor vernietigd. Hij heeft zijn witte walvis gevonden en ontdekt dat hij het zelf is.
Verlossing
En dan is er nog een laatste melodramatische plot en hamartia die in Oidipous speelt, geïllustreerd door het vers dat ik al eerder citeerde en waarmee Sofokles de tragedie afsluit. Volledig luidt het
Nooit heeft burger zonder afgunst naar zijn voorspoed opgezien
en in welke stormende van rampen is hij nu gestort!
Prijs dus nooit als gelukkig enig sterveling die nog
steeds in bang verwachten uitziet naar zijn allerlaatste dag
die nog niet het levenseind bereikte zonder schrijnend leed.
Wat Sofokles hier, middels het koor, zegt is dat er geen definitieve verlossing bestaat. Je kunt alles hebben wat een mens kan begeren, je kunt door iedereen benijd worden – kunt koning, gemaal en vader zijn, kunt door je onderdanen als de eerste onder de mensen, de held, de redder worden beschouwd – dat succes is nooit blijvend, nooit definitief. Laat het niet naar je hoofd stijgen, zegt Sofokles, er is geen definitieve verlossing en het rad van vrouwe Fortuna (wat een beeld van negenhonderd jaar later is, maar goed) stat nooit stil.
Oedipus laat zich aan het begin van het stuk verleiden om de bescherming van Thebe op zich te nemen. Hij heeft het monster van de Sfinx overwonnen, hij zal ook over de pest zegevieren. Hij was eenmaal de redder van Thebe, hij zal altijd de redder van Thebe zijn.
Zo geeft hij toe aan de uitdaging van priester en smekelingen:
[…] Heb zorg voor uw faam.
Uw bemoeienis redde ons voorheen; laat het niet gezegd zijn
dat we onder uw bewind werden opgeheven om weer te vallen.
Red, red onze stad, en maak haar veilig voor altijd.
Maar geen stad kan voor altijd veilig zijn en Oedipus kan zijn belofte om Thebe te redden niet gestand doen. Dat hij ooit de Sfinx overwon betekent niet dat hij nu de pest zal verslaan.
Sofokles weet dit. Het koor weet dit. Het publiek weet dit. Oedipus weet het niet, of wil het niet weten. Hij staat aan de top en is ervan overtuigd dat hij daar ook zal eindigen. Maar de goden hebben al besloten dat hij ten val zal komen (en ook dat dit niet het definitieve einde zal zijn – zie Oidipous epi Kolonoi).
Er zijn geen definitieve oplossingen en daarin geloven is bezwijken voor de verleiding van de Verlossingsplot en zijn bijbehorende hamartia.
Dat kan alleen op een tragedie uitlopen. En die tragedie bestaat eruit dat Oedipus de koning, op zoek naar een zondebok, zelf die zondebok wordt.
In het oude Athene had je de rol van de farmakos – dat was een persoon, soms een zieke of kreupele, soms een onruststoker – die op kosten van de staat in leven werd gehouden zolang het de polis goed ging, maar die werd geofferd wanneer er een ramp was – om de goden gunstig te stemmen. Sommige filosofen denken dat de farmakoi door hun rol juist een heldenstatus verwierven.
Oedipus valt binnen beide interpretaties. Hij wordt door de bevolking als een koning behandeld, letterlijk en figuurlijk, en hij is de zondebok die voor de Thebaanse zonden geofferd wordt. Hij is tegelijk held en monster, dader en slachtoffer. Het enige wat hem van een doorsnee farmakos onderscheidt is dat hij zelf niet weet dat hij een zondebok is.
Hij ziet zichzelf als Oidipous turannos, terwijl hij eigenlijk Oidipous farmakos is.
