Een paar keer per maand loop ik als vrijwilliger rond in de Stevenskerk in Nijmegen en ontvang bezoekers. De Stevenskerk is een gebouw dat tussen 1254 en 1565 is ontstaan, in verschillende fasen, en dat sinds 1272 voortdurend in gebruik is geweest als kerk.
De eerste versie van de kerk was ongeveer half zo lang, half zo breed, half zo hoog als de huidige. Hij was in een andere stijl dan de kerk die je nu ziet: in Romaanse stijl, met dikke muren, kleine ramen en veel ronde lijnen. In de daaropvolgende eeuw kwam de mode van de gotiek uit Frankrijk naar Noordwest Europa en veranderde de spitsboog het uiterlijk van alle grote kerken. Het gewicht van gewelven en daken kon veel beter verdeeld worden, waardoor er meer ruimte tussen de peilers kwam, de kerk hoger kon worden en de ramen groter. Licht werd het centrale element van de gotische kerk.
Scholen
Vooral in de lente wordt de Stevenskerk bezocht door schoolklassen, doorgaans groep zeven of acht van de basisschool. Kinderen van tien tot twaalf zijn vaak niet eerder in een kerk geweest: ze hebben nog geen begrafenis meegemaakt, huwelijken worden niet vaak meer kerkelijk ingezegend en hun ouders zijn niet gelovig.
Hoe leg je deze kinderen uit wat een kerk is?
Opvallend genoeg is het nog het gemakkelijkst uiteen te zetten bij kinderen die wel gelovig zijn (of tenminste hun ouders). Als een kind is opgegroeid met het idee van een moskee of een synagoge is het geen grote sprong naar het begrip van een christelijke kerk. Voor kinderen die tweede of derde generatie atheïst/agnost zijn is dat lastiger.
Ik heb (gelovige) collega’s die proberen het geheel in een christelijk idioom uit te leggen. Zij gebruiken bijvoorbeeld synoniemen als ‘godshuis’ of ‘gebedshuis’. Beide begrippen brengen echter hun eigen problemen met zich mee.

‘Godshuis’ dekt ongeveer dezelfde lading als ’tempel’ in het joodse geloof, en misschien ook nog wel bij veel goden-religies als hindoeïsme – maar het betekent niet hetzelfde voor mensen die de voorouders of een onpersoonlijk beginsel (de tao) vereren. Of voor wie ‘geloof’ eerder een filosofisch systeem is, zoals bij het boeddhisme.
En ‘gebedshuis’: zeker wordt een kerk gebruikt om te bidden, maar betekent dit dat er in andere huizen, bijvoorbeeld je eigen woning, niet gebeden wordt? En als je thuis wel bidt, wat is dan het verschil tussen het ene ‘gebedshuis’ en het andere?
Rituelen
We komen al dichter bij de essentie als we bekijken wat er voor soorten activiteiten plaatsvinden in een kerk.
In een moderne kerk, zoals de Stevenskerk, zijn er elke zondag (in dit geval oecumenische) diensten. Er zijn uitvaarten en huwelijkssluitingen. Er worden concerten en dansvoorstellingen gehouden. De kerk biedt ruimte aan tentoonstellingen. Verder zijn er diploma-uitreikingen, feestelijke openingen en afsluitingen, lezingen en recepties.
Elke vrijdag is er een gebed voor de vrede, elke eerste zaterdag van de maand is er een ceremonie voor pelgrims en een gezongen eredienst, een choral evensong.
Geen van deze activiteiten is spontaan, geïmproviseerd, een geval van individuele expressie, alledaags werk. Het zijn allemaal gebeurtenissen die stil willen staan bij een bepaald moment – vaak bij een overgangsmoment, een rite de passage.
Roger Scruton heeft eens geschreven dat rituelen – met name overgangsrituelen – de punten markeren waar we het leven als geschenk ervaren. Bij een geboorte, waarbij een kind als geschenk wordt gezien. Bij volwassen worden, waarbij ouderen aan jongeren verantwoordelijkheden en bevoegdheden doorgeven. Bij een huwelijk, waarbij twee mensen zichzelf aan elkaar geven. En bij het sterven, wanneer het hele leven wordt geïnterpreteerd als een offer en als iets dat wordt teruggegeven – aan God, de Aarde of aan een volgende generatie.
Een ritueel kan nieuw en creatief zijn, maar het streeft desondanks naar een soort tijdloosheid. Een gevoel dat het er altijd al geweest is, dat het een gegeven is. Het respecteren van dat gegevene noemden de Romeinen pietas – piëteit.
Piëteit is het erkennen dat we bepaalde verplichtingen hebben, ook als we daar zelf niet voor hebben gekozen. We hebben niet zelf voor onze ouders, broers en zusters gekozen, maar niemand kan ontkennen dat we jegens hen bepaald verplichtingen hebben. Net zozeer als we verplichtingen hebben tegenover andere mensen, zeker als we met hen in gemeenschap leven. En zelfs daarbuiten.
Thomas Hobbes en navolgers hebben betoogd dat onze samenleving gebaseerd is op een impliciet contract, maar dat is maar voor een gedeelte het geval. Voor een tenminste even groot gedeelte is onze samenleving gebaseerd op geërfde verplichtingen. Op de erkenning dat we rekening moeten houden met generaties die ons voorgingen en generaties die na ons zullen komen.

Ik geloof niet dat het een expliciet onderdeel van ons kerkbeleid is, maar ik denk dat alle activiteiten die in de Stevenskerk plaatsvinden, onder rituelen geschaard kunnen worden, en dat daarin gevoelens van piëteit worden beleefd.
Ook bij de concerten en tentoonstellingen: daar wordt een moment stil gestaan bij een bijzonder beeld of een bijzonder geluid. Die beelden en geluiden worden uit de dag getild en ze krijgen extra aandacht.
Heilig
Dat uit de dag getild worden – dat is denk ik essentieel voor een kerk.
We weten allemaal dat er momenten, tijdstippen – uren, dagen, weken, maanden – zijn die aanspraak maken op een bijzondere status. Je verjaardag. Je huwelijksdag. De sterfdagen van je ouders. Zondag. Kerstmis. Sinterklaas. Nieuwjaar. Midzomer. Internationale vrouwendag. Ketikoti. Week van de lentekriebels. Week van het geld. Vredesweek. Dry January. Stoptober. Vasten. Ramadan.
Dit zijn momenten (of series van momenten) dat je even niet bezig bent met de alledaagse beslommeringen. Met aandelen kopen of leren lezen. Met piekeren en plannen. Met uitslapen of doorhalen. Met doorhollen of doorstrompelen.
Je staat even een moment stil. Je blikt terug of je blikt vooruit. Het moment staat voor iets, het betekent iets, meer dan simpelweg een tijdstip dat de wijzers van de klok aangeven. Het is een bijzonder moment, het wordt uit de stroom van de tijd getild, uit de routine, uit de vergetelheid. Je doet even niet wat je anders doet.
Het is een heilig moment.
Heilig is eigenlijk niet meer dan dat: iets dat uit de gewone orde wordt getild, iets dat in tegenstelling staat tot het alledaagse, wereldse, nuttige, inwisselbare.
Deze tegenstelling noemen we ook wel die tussen sacraal en profaan.
Heiligheid staat in zekere zin buiten de chronische kloktijd. Het schept zijn eigen tijd: sabbat, feestdag, vastenmaand of heilig jaar.
En heiligheid schept ook zijn eigen ruimte: een plek waar niet de gewone regels gelden, waar niet geld centraal staat, of efficiëntie, of nut. Een plek waar het bijzondere moment op een passend manier gevierd kan worden.

Kerken zijn pogingen om zo’n heilige plek te bouwen en te bewaren. Plekken waar je binnen kunt komen en meteen kunt voelen: ik ben hier buiten het alledaagse. Dat je merkt: hier gaat het niet om omzet en winst, niet om gepieker en geprakkezeer. Je kunt ook op zo’n plek gemakkelijker de daagse beslommeringen achter je laten. Alles ademt sacraliteit: de ruimte, het licht, de versieringen, de indeling, de oudheid. De architectuur betekent iets: de twaalf ramen van de synagoge, de oost-west oriëntatie van een kerk, de vijf zuilen in de moskee.
In kerken komt heilige tijd samen met heilige ruimte. Je zou ook kunnen zeggen: kerken zijn er om bijzondere momenten op bijzondere plekken te vieren.
Is dat dan wat een kerk, ten diepste, is? Ja, maar er ontbreekt nog een element aan de definitie. En dat is het aspect van samen.
Een kerk bouw je en betreed je niet om een bijzonder moment in je eentje te beleven. Dan kun je ook naar je slaapkamer gaan, of je favoriete bos, of het strand. Je gaat naar een kerk omdat dit ook voor anderen een bijzondere ruimte is. Je gaat om samen dat bijzondere moment te vieren.
Om deze reden sluiten we in de Stevenskerk ook elk scholenbezoek af met een gemeenschappelijk ritueel. We gaan eerst met de hele klas in een kring rondom de centrale kroonluchter staan. Dan steekt iemand van school, doorgaans een leerkracht, een kaars aan – en dan zijn we samen enige tijd stil. We staan, letterlijk, stil bij het bezoek, stil bij wat het betekent om een klas te zijn. Stil bij het gedeelde verleden en misschien bij de individuele toekomst, wanneer de groep 8 uiteen zal vallen en leerlingen naar de middelbare school gaan.
We beleven een bijzonder moment, op een bijzondere plek, en we beleven het samen.
Dat is wat een kerk is, denk ik.
