7. Geen klokkenluiders, wel klokgelui

Posted on May 30, 2014 in Blog, Featured

7. Geen klokkenluiders, wel klokgelui

In de afgelopen weken besprak ik het fenomeen klokkenluider. Ik bekeek hoe het in een individueel geval (Arthur Gotlieb bij de Nederlandse Zorgautoriteit) toegaat, analyseerde het begrip ‘klokkenluider’ en onderzocht hoe de misstanden, die door klokkenluiders bekend worden gemaakt, eigenlijk ontstaan.
De conclusie van die laatste oefening luidde: misstanden ontstaan voor het overgrote deel niet door kwaadwillig, ‘onethisch’ handelen, maar door gedachteloze, ‘non-ethische’ activiteiten.
Tegen dit vergeten van de morele dimensie, tegen deze ‘blinde vlekken’, helpen geen beroepseden, ‘governance codes’ of tuchtsystemen. Deze middelen gaan er allemaal vanuit dat we voortdurend ethisch denken en bewust morele keuzes maken – omdat we een eed hebben afgelegd, we ons aan de regels willen houden of bang zijn voor strafmaatregelen. In werkelijkheid zijn we ons meestal niet bewust van morele dilemma’s en denken we ook niet dat we tegen beroepseed of protocol verstoten. En we zijn niet bang voor het tuchtrecht omdat we denken dat we helemaal niks fout doen!

Deze week kwam er weer een klokkenluider in het nieuws: de Oekraïense studente Marina Votyakova stelde op hogeschool Inholland misstanden aan de kaak en concludeerde vervolgens dat het college van bestuur haar klachten in de doofpot liet verdwijnen. Toen ze dit aan de orde stelde bij het hoogste orgaan, de Raad van Toezicht, beloofde die een onderzoek in te stellen. Tot Votyakovas teleurstelling bleek dat een intern onderzoek te zijn, waarmee Inholland zichzelf prompt schoon pleitte.
Als buitenstaander is het lastig te oordelen, maar de lijst van klachten – een zoekgeraakte inschrijving, afwezigheid van een docent bij een bepaald vak, een verkeerd tentamen, liegen over de klachtbehandeling – is lang genoeg om extern onderzoek te rechtvaardigen, zeker omdat meerdere afdelingen erbij betrokken zijn en Inholland al eens (2010) in een crisis belandde door examenfraude.

Wat er bij Inholland ook mis is, aan de regels ligt het in elk geval niet: de hogeschool heeft een integriteitscode, die wordt uitgewerkt in een

- klokkenluidersregeling
- regeling vertrouwenspersonen
- reglement hoor- en adviescommissie personeel
- klachtenregeling studenten
- regeling studeren met een handicap of functiebeperking
- reglement bruikleen apparatuur
- declaratiereglement
- treasurystatuut.

En dat zijn alleen nog maar de interne regels. Verder moet Inholland ook nog voldoen aan de ‘branchecode Governance van de HBO-raad’, de cao van het HBO en allerhande wetgeving.

Waarschijnlijk is een dergelijke opeenhoping van voorschriften representatief voor moderne organisaties. Maakt dat ze meer of minder integer? Mijn overtuiging is: minder. De reden hiervan is dat regels op zichzelf nooit voldoende zijn – ze moeten altijd worden toegepast, vertaald, geïnterpreteerd. Ze vormen een eerste stap op weg naar een ethische praktijk. Echte moraliteit is niet het volgen van regels, maar het ontwikkelen van morele vaardigheden, van goede gewoontes, van een goed karakter. Tegelijk staan regels vaak het ontwikkelen van die morele vaardigheden in de weg. Het angstvallig vasthouden aan regels wordt vaak belangrijker gevonden dan het juiste toepassen (bijvoorbeeld door een uitzondering te maken, de regel een beetje aan te passen of de ene regel te laten prevaleren boven de andere); en het hebben van een stel regels wordt vaak als voldoende beschouwd. De eerste stap op het morele pad is dan ook meteen de laatste.

En prikkels als straffen en beloningen dan? Helaas, die maken leven en werken ook niet per se moreler. Vaak zorgen ze ervoor dat mensen niet meer gemotiveerd zijn om het juiste te doen, maar alleen om een bepaald effect te bereiken. Zoals leerlingen ‘voor de lijst’ lezen en niet voor wat boeken hen kunnen bieden.
We willen dat professionals iets doen omdat het ‘juist’ is, omdat het beantwoordt aan het doel van hun beroep. Slimme prikkels helpen daar nauwelijks bij. Slechte (‘perverse’) prikkels vormen alleen een belemmering.

En een beroepseed, zoals bij artsen en verpleegkundigen en tegenwoordig ook bij bankiers? Op zich niks mis mee. Maar een eed aan het begin van je loopbaan of ambtsaanvaarding vervangt niet de dagelijkse oefening die nodig is om morele wijsheid te verwerven.

Helpt dan niks? Zeker wel. Een goed voorbeeld, of rolmodel, helpt. Sterker nog, een goed voorbeeld is zo belangrijk, dat het slechte regels en perverse prikkels kan compenseren. Andersom is een slecht voorbeeld zo funest, dat het de beste regels en slimste prikkels teniet kan doen – omdat elk slecht voorbeeld zelf een slechte regel en een perverse prikkel impliceert.
Goede voorbeelden zijn belangrijk. En herhaling. In de praktijk.
Het nadeel van een eed is zijn eenmaligheid. En regels bestaan voornamelijk op papier. Als we willen dat mensen in ethische besluitvorming oefenen, moeten we andere wegen vinden.

En hier komen we, voor inspiratie, terug bij het verhaal van Quasimodo, de klokkenluider die exemplarisch werd voor de persoon die alarm slaat bij een misstand.
De verfilming “The hunchback of the Notre Dame” uit 1939, begint met een scene die niet in het boek van Victor Hugo voorkomt. In een drukkerij, uitziende op de kathedraal, luistert koning Louis XI geknield naar de kerkklokken. Als het gelui is weggestorven staat hij op en zegt: “Ik heb nooit een mooier Angelus gehoord. Wie is de klokkenluider van de Notre Dame?” De drukker vertelt hem dat het Quasimodo is, de ‘gebochelde van de Notre Dame’.

De katholieke traditie van het Angelus is goeddeels verdwenen en nog maar bij weinigen bekend. Hij bestond uit het driemaal daags luiden van het angelus-klokje in de kerktoren – om 6 uur ’s ochtends, het middaguur en 6 uur ’s avonds. Op die momenten legden mensen hun werk neer en baden, na een aanroep, het Weesgegroet Maria (de aanroep begon “Angelus Domini nuntiavit Mariae” – vandaar de naam ‘Angelus’)
Van de Franse schilder Jean-François Millet bestaat een beroemd schilderij, “Het Angelus”. Het toont een boerenechtpaar dat net zijn werk heeft neergelegd. De man heeft zijn pet afgedaan, zijn vrouw heeft de handen gevouwen. Beide staan stil, het hoofd gebogen, in eerbiedig gebed. Midden in hun werk zijn ze even gericht op iets hogers, iets tijdloos. Iets dat hen verbindt met elkaar en met hun medegelovigen. Zo meteen zullen ze de riek en de mand aardappelen weer oppakken. Maar nu nog niet. Nu staat de tijd even stil.

Stel dat wij, als werkers bij een bedrijf, een zorginstelling, een school of een gemeente, elke dag één of twee keer ons werk op hetzelfde moment zouden neerleggen, om ons een paar minuten te wijden aan de morele kant van onze arbeid. We zouden over de beroepseed of de integriteitscode kunnen praten, maar ook over bepaalde keuzes die net gemaakt waren, of – nog beter – die aansluitend gemaakt zouden moeten worden. Het ontslaan van mensen ter wille van de winst – is dat goed of niet? Het afschuiven van kosten op klanten: slimme productiviteitsverhoging of immorele afwenteling? Het afschaffen van een bepaalde publieke dienst: wie zijn hiervan de slachtoffers en wat zijn de gevolgen voor die mensen?
Een voordeel van een dergelijk ritueel is dat het elke dag herhaald wordt. Die herhaling maakt ethiek levend en stelt ons in staat goede gewoontes te vormen. Het delen van het ritueel versterkt dit. Morele blindheid wordt veel moeilijker als je er elke dag samen aandacht aan besteedt en anderen jouw blinde vlekken kunnen invullen.

Voor de thuiswerkers, de parttimers en de ambulante werkers onder ons zou er een app gemaakt kunnen worden, die je via tablet of smartphone herinnert aan het ‘morele moment’ en je via een gespecialiseerd sociaal netwerk over ethiek en werk laat communiceren. Uit eerbetoon aan de herkomst van het ritueel zou de app “Angelus” genoemd kunnen worden.

Dus. We zagen al dat de dilemma’s van de klokkenluider nooit opgelost kunnen worden. Maar misschien kunnen ze wel worden voorkomen. En dat voorkomen kan alleen gebeuren als onze morele blindheid, ons grote ethische vergeten, dagelijks aan de orde – en aan de kaak – wordt gesteld. Door het luiden van een klok. Niet het oorverdovende bimbam van de alarmklok, maar het manende, herinnerende, dingdong van het angelus-klokje.
Geen klokkenluiders, maar klokgelui!