149. Alleen en (on)veilig

Posted on May 22, 2017 in Blog, Featured, Uncategorized

149. Alleen en (on)veilig

Een paar weken geleden bezocht ik met mijn zus de Nijmeegse premiere van Alone in Berlin. Het is een verfilming van de roman Jeder stirbt für zich alleine van Hans Fallada uit 1947, gebaseerd op een waar gebeurd verhaal. Falada’s manuscript werd indertijd door zijn Oost-Duitse uitgever aangepast – de film gaat uit van het origineel.

Het werk speelt in de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog, in Berlijn. Terwijl de stad in juni 1940 de overwinning op Frankrijk viert, krijgen Otto en Anna Quangel een brief waarin de dood van zoon aan het front wordt meegedeeld. Tot dan toe waren Otto en Anna brave meelopers van het nazi-regime, Otto als iemand die zich op zijn werk als voorman in een houtfabriek concentreert, Anna als lid van de nationaal-socialistische Vrouwenbond.

Het bericht van hun zoons dood verandert hen en isoleert hen: Otto en Anna delen niet mee in de feestvreugde van juni 1940 en dat alleen maakt hen al een beetje tot buitenstaanders, en al enigszins verdacht.
Op initiatief van Otto beginnen ze een kleinschalig verzet tegen Hitler: ze schrijven anonieme briefkaarten die de leugens van het regime aan de kaak stellen en laten deze her en der in Berlijn achter. Daarmee hopen ze zand in de oorlogsmachine te strooien, zodat andere zonen misschien gespaard zullen blijven.

De acties blijven zonder veel effect. Vrijwel alle verspreide kaarten worden door Berlijnse burgers meteen bij de Gestapo ingeleverd. Na een tweejarig politie-onderzoek worden de Quangels ontmaskerd, gearresteerd en geëxecuteerd.

Alleen
De vertoning die wij bijwoonden was een speciale, ter gelegenheid van 4 mei, met een inleiding en een nagesprek. Tijdens dat gesprek trachtten de meeste bezoekers een positieve moraal uit de film te destilleren: een regime kan machtig zijn, maar er zijn altijd kleine daden van verzet mogelijk, en wie weet waar die toe leiden?
Mij leek dat een erg optimistische weergave van het verhaal: kern was immers dat Otto en Anna in twee jaar geen enkele uitbreiding van het verzet opmerken (en ook niet onbemerkt bewerkstelligen). Ze beginnen alleen en ze eindigen alleen. Meer dan 90% van hun kaarten wordt door slechts een persoon gelezen, de vinder, die deze vervolgens bij de Gestapo afgeeft. Op de populariteit van het regime, laat staan het verloop van de oorlog, heeft het allemaal geen enkele invloed.

Meer dan een reflectie op wat een eenzame held(in) vermag, is Alone in Berlin een meditatie over hoe weinig een geïsoleerde persoon kan doen, en hoe dat ook precies de manier is hoe een regime als dat van Hitler kan floreren: door iedereen te isoleren in wederzijds wantrouwen, zodat er nooit een verzetsbeweging kan ontstaan.
Hoe een dictatuur zijn tegenstanders weet te isoleren zodat je alleen kunt zijn in een stad van honderdduizenden: dat is de kern van de film.

Een totalitair bewind zoals dat van de nazi’s is een illustratie van de Engelse uitdrukking safety in numbers: het is veilig om met velen te zijn – en het is onveilig in je eentje te zijn. Sterker nog: alleen zijn en onveilig zijn is hetzelfde, net als veilig en in de grote massa verscholen zijn.

In een dictatuur gaat het erom in de groep te zitten. Alleen daar is het veilig – en iedereen buiten die groep moet voortdurend het gevoel krijgen dat het daar buiten niet pluis is; dat er overal onheil dreigt, dat je elk moment het slachtoffer kunt worden van geweld – waartegen de groep je niet langer beschermt, ja misschien is het wel de groep zelf die zich tegen je keert.

Een film als Alone in Berlin roept de vraag op: als het in 1940 te laat (of te vroeg) was om je buiten de groep te plaatsen, wanneer was dan wel de goede tijd? Wanneer had verzet tegen Hitler tot een sterke beweging kunnen uitgroeien?
Het deprimerende antwoord: misschien was er wel geen moment waarop een dergelijk verzet kans van slagen had. Als je de dagboeken van Victor Klemperer leest zie je dat de sfeer van wantrouwen en angst al in 1933 heerst, vrijwel meteen na Hitlers machtsovername.
Hitler wordt op 30 januari kanselier en op 5 maart verdubbelen de nazi’s hun zetelaantal in de rijksdag. Op 22 maart rept Klemperer al van “een angststemming, zoal ze in Frankrijk onder de Jakobijnen moet hebben bestaan.” En op 7 april schrijft hij :”Je durft geen brief te schrijven, je durft niet te telefoneren, je brengt bezoeken en weegt het risico.”
Al rap is in een ziekenhuis opvallend wanneer een verpleegster niet “Heil Hitler” zegt of meezingt met het Horst Wessel-lied. Zo’n persoon is verdacht. Weigering aan een mars mee te doen kan ontslag betekenen. Een beroepssoldaat vertelt dat in het leger de anti-Hitler stemming wijd verbreid is, maar dat tegelijkertijd het nationaal-socialisme beoefend wordt, want: “Je kunt nooit weten.”
Dit gebeurt allemaal al binnen een paar maanden. De omslag is compleet in januari 1934, wanneer Klemperer een afdelingsvergadering op de universiteit beschrijft. Alle deelnemers fluisteren. Ze bespreken hoe voor een volgende gelegenheid nationaal-scocialisten moeten worden uitgenodigd, om aanvallen van buiten te verhinderen. Natuurlijk kan er in hun aanwezigheid niet meer open beraadslaagd worden, maar dat geeft niet: op de vergaderingen zal niets van belang meer besproken worden, dat zal voortaan in besloten commissie-vergaderingen gebeuren.
Klemperer vat bedroefd samen: “Niemand verzet zich openlijk; iedereen is steeds de alleenstaande, die zich machteloos voelt.”

Alleen en veilig
Van oudsher is de mens natuurlijk een groepsdier geweest, net als de apen met wie we een gemeenschappelijke voorouder delen. Wij kijken neer op ‘kuddedieren’, maar zijn zelf door en door op de groep (en de leider) gericht.
In een organisatie weten medewerkers altijd feilloos in welke stemming de manager verkeert. Vooral als die stemming niet stabiel is. Wij voelen hoe de sfeer op straat is, als we in een menigte rondlopen (bijvoorbeeld in een uitgaansgebied). Wij laten ons meeslepen door collectieve emoties (overwinningen en nederlagen bij voetbal, bijvoorbeeld).
Heel, heel diep in ons zit het idee dat veiligheid en samenzijn hetzelfde betekenen, en dat is ook heel lang zo geweest.
Voor een voorouder was het zelfmoord alleen de savanne over te steken, tussen dieren met veel betere wapens dan hijzelf.
Dat gevoel van safety in numbers wordt gedeeld door rondtrekkende groepen jagers-verzamelaars en dictaturen. In dit soort samenlevingen is het per definitie onveilig om alleen te zijn – daar sluiten eenzaamheid en veiligheid elkaar uit.

In onze samenleving is dat gelukkig anders: hier kun je alleen zijn en toch in relatieve veiligheid en welstand leven. Je kunt doen wat je wilt, zeggen wat je wilt. Natuurlijk zul je daarvoor wel eens de prijs van (relatieve) uitsluiting moeten betalen, maar het kost niet je nering, je vrijheid of je leven.

En misschien is de balans tussen veiligheid en alleenzijn wel een goede graadmeter over het soort maatschappij waarin je leeft. Waar beiden te combineren zijn, daar wil je graag wonen. Waar ze elkaar uitsluiten, niet.

Denk aan de maatschappij als een stadion vol voetbalsupporters – bijvoorbeeld het Feyenoordstadion. In wat voor maatschappij willen we dan leven – eentje waar een Ajax-supporter onbekommerd midden in De Kuip voor zijn club kan juichen, of eentje waarin hij dat uit angst maar nalaat?
(Uit het feit dat Ajax- en Feyenoordsupporters al jarenlang niet meer in elkaars stadion mogen komen, blijkt dat we weliswaar niet in een dictatuur wonen, maar ook niet in een volledig vrije/veilige samenleving.)

In Berlijn kunnen nu (2017) mensen weer zichzelf zijn. Net als bij ons en in een handvol andere Westerse landen. Maar in heel veel samenlevingen kan dat niet en isoleer je jezelf meteen wanneer je een afwijkend standpunt inneemt. Daar ben je als de Quangels: mét het regime of tegen het regime.
In zo’n maatschappij ben je altijd alleen – zelfs wanneer je mét het regime bent. Want dan vraag je jezelf voortdurend af: die anderen, die het bewind ogenschijnlijk steunen, zijn die wel oprecht in hun steun, of zijn het stiekeme saboteurs?

In zo’n samenleving is iedereen alleen, zelfs tijdens de meest massale manifestaties. Of beter: niet alleen, maar wel eenzaam.

Mensen als de Quangels waren alleen in Berlijn. Alle anderen waren eenzaam. Eenzaam in Berlijn.

Jeder lebt für sich alleine.