390. Dagverlichting: centrum

Posted on Aug 10, 2022 in Dagverlichting, Featured, Uncategorized

390. Dagverlichting: centrum

Ga rustig zitten. Kijk eens om je heen. Hoe is het licht? Vertellen je zintuigen je hoe laat het is, welke tijd van het jaar? Wat hoor je? verkeer of vogels? Is het lekker warm, of zit je een beetje te kleumen? Of is het eigenlijk te warm, of te vochtig?
Hoe voel je jezelf? Fit, of een beetje under the weather? Ben je relaxt, of voel je jezelf een beetje opgejaagd?

Hier is een moment voor jezelf.

Begin met het lezen van de volgende tekst, en de bijbehorende bezinning.

(Uit: Dante – De Goddelijke Komedie, Paradijs, 22e zang)

“Gij zijt zó nabij het opperste heil.”
Begon Beatrice, “dat het u nood is
Uwe ogen helder te hebben en scherp.

En daarom, aleer gij meer daarin opgaat,
Zie terug naar beneden, en zie hoe grote wereld
Ik reeds onder de voeten deed zijn;

Opdat uw hart, zoveel het kan, vol blijdschap
Moge treden voor de triomfante schare,
Die blijde komt door de bolvormige aether.”

Met mijn blik keerde ik terug door alle
De zeven sferen, en ik zag deze aardbol
Zo klein, dat ik glimlachte om zijn nietige schijn.

En dat inzicht houd ik voor het beste
Dat haar het geringst acht; en wie zijn denken elders richt,
Die kan zich waarlijk voor rechtschapen houden.

Ik zag de dochter van Latona verlicht
Zonder die schaduw, die mij reden was,
Waarom ik haar vroeger voor ijl en dicht hield.

De aanblik van uw zoon, Hyperion,
Doorstond ik hier, en ik zag hoe rondom hem
En dichtbij Maia en Dione bewogen.

Van daar af zag ik de gematigdheid van Jupiter
Tussen zijn vader en zijn zoon, en van hier was mij duidelijk
De verandering die zij maken in hun positie.

En alle zeven vertoonden zij zich mij,
Hoe groot ze zijn en hoe hun snelheid is,
En hoe ver ze in plaats van elkaar zijn verwijderd.

De dorsvloer, die ons zo woest doet zijn,
Verscheen mij, nu ik rondwentelde met de eeuwige
tweelingen, geheel, van hoogte tot riviermond:

Toen wendde ik weer mijn ogen naar de schone ogen.
(vertaling Frederica Bremer)

De meeste mensen weten wel dat het middeleeuwse wereldbeeld (dat nog tot in de zeventiende eeuw breed gedeeld werd) verschilde van het onze. Dat was trouwens niet een beeld van een platte aarde, een opvallend modern idee waar duizend jaar geleden niemand in geloofde.
Mensen zagen de wereld als bol toen, net als nu – waar ze anders over dachten was waardoor die bol omgeven was.

Nu gaan we ervan uit dat de aarde, net als de zeven andere planeten, in een bijna lege ruimte rondom onze zon draait. En die zon is een ster, net als ontelbare andere sterren in een stelsel dat wij de Melkweg noemen en dat weer één van onafzienbaar veel sterrenstelsels is. In, nogmaals, een bijna lege ruimte.
De middeleeuwers zagen dat heel anders.

Afgaand op gezaghebbende Griekse wetenschappers (Plato, Aristoteles, Ptolemaeus) gingen onze voorouders ervan uit dat de aarde het middelpunt was van een reeks van holle, transparante bollen of sferen. De eerste was die waarin de maan haar banen trok, dan die van Mercurius. Vervolgens Venus, de zon, Mars, Jupiter en Saturnus. (Uranus en Neptunus waren nog niet waargenomen.)
Buiten de sfeer van Saturnus bevond zich die van de Stellatum of ‘vaste’ sterren, zo genoemd omdat hun onderlinge positie niet verandert. En dan was er een sfeer die niet rechtstreeks geobserveerd was (omdat er geen hemellichaam mee correspondeerde), maar waarvan het bestaan de andere bewegingen moest verklaren: die van de Primum Mobile of Eerste Beweger.
En daarbuiten? Volgens Aristoteles wisten we het niet, omdat de Primum Mobile het laatste (en grootste) materiële object vormde – voorbij deze sfeer hielden onze categorieën van ruimte en tijd simpelweg op te bestaan.
In de Christelijke astronomie werd die ‘gene zijde’ de hemel, caelum ipsum, vol van God. Zoals Dante het in Gezang XXX zegt: “de hemel, die puur licht is; licht van het intellect gans vervuld van liefde, liefde tot ‘t ware Goede, vervuld met blijheid, blijheid, die elke zoetheid te boven gaat.”

Dit model met de aarde als middelpunt van alle sferen wordt wel als geocentrisch omschreven. In vele ogen betekent dit hetzelfde als homocentrisch, een perspectief waarbij de mens denkt dat alles om hem (of haar, maar eerder hem) draait. Dat perspectief wordt dan vaak triomfantelijk tegenover het moderne wetenschappelijke, ‘verlichte’ beeld gezet dat wij zogenaamd hanteren.
Maar is dat terecht?

Kijk nog eens naar de woorden van Dante, die vanuit de hemel terugkijkt, door alle bollen heen, en diep in de verte de aarde ziet, die woeste dorsvloer die van onderaf zo belangrijk scheen maar van bovenaf slechts nietig overkomt. Je kunt je aandacht het beste elders richten, zegt hij, dat leidt eerder tot rechtschapenheid.
En deze blik, waarbij de mens naar de centrale aarde kijkt, niet als het belangrijkste deel van de kosmos maar als het geringste, dat was de kern (pun intended) van dit wereldbeeld. Het vormt al in de eerste eeuw voor onze jaartelling de moraal van Cicero’s oerbeeld in zijn Droom van Scipio, de mythe waarmee hij zijn Plato-imitatie De Republiek besluit (zoals Plato dat met de mythe van Er had gedaan). Hierin droomt Scipio Africanus Minor dat zijn grootvader (Africanus Maior) hem meeneemt op een reis door de sferen heen, tot de Stellatum. Terugkijkend op de aarde ziet die er zo klein uit dat het Romeinse Rijk er al helemaal niet meer toe lijkt te doen. Zo verwerpt Cicero, via Scipio, alle wereldlijke ambities. En middeleeuwse denkers volgen hem in deze verwerping – nog in 1612 beschrijft dichter John Donne in een elegie voor een aristocratische relatie hoe haar ziel door de sferen reist en maant hij haar nabestaanden dat haar positie tussen de sterren verre te verkiezen valt boven hun positie op aarde:

Forget this rotten world; and unto thee
Let thine own times as an old story be.

[…]
The world is but a carcase; thou art fed
By it, but as a worm, that carcase bred;

[…]
Forget this world, and scarse think of it so,
As of old clothes, cast off a year ago.

De aarde is voor Cicero, Dante en Donne dus wel een middelpunt, maar het is niet waar het leven om draait. En het universum draait al helemaal niet om de homo sapiens en menselijke beslommeringen.

C.S. Lewis heeft treffend beschreven hoe onze voorouders naar de sterrenhemel keken: als naar een groot huis, waarin elke volgende sfeer groter is dan de voorafgaande, tot de immense Primum Mobile wordt begrensd door de hemel. In dat huis zijn aardbewoners als kleine insecten.
Op paradoxale wijze is de sterrenhemel in dit eindige model echter groter dan in het moderne oneindige, immer uitdijende heelal. In dat model zijn sterren namelijk ook weer oneindig klein, net als zonnestelsels en sterrenstelsels – het zijn allemaal stofjes in een lege ruimte. En in dat model zie je als je naar de nachthemel kijkt niet iets van immense afmetingen, maar iets vaags en ongrijpbaars.

Een hedendaagse beschouwer krijgt het middeleeuwse perspectief misschien nog het beste mee als hij zich opstelt in het midden van een gothische kathedraal en dan de blik naar boven richt, langs de kolommen, kapitelen en spitsbogen en vensters van de lichtbeuk en de raamtraceringen tot aan de gewelven, die ver boven je lijken te zweven en alles omspannen.
Op die manier kun je iets meevoelen van de middeleeuwse notie dat de kathedraal de logica van de schepping weerspiegelt en de schoonheid van het universum toont, de liefde van God.

In die schepping zijn wij noodzakelijk thuis – geen schitterend toeval, zoals in de moderne kosmologie. En dat is de kern van het oude wereldbeeld: de wereld is het centrum van een heelal waarin de mens thuishoort. Maar dan niet, zoals in het moderne model, als top van de piramide, als alpha dog of initiator van het anthropoceen – maar als middelpunt tussen dieren en engelen.
Mensen zijn centraal omdat ze zowel vegetatief, sensitief als rationeel zijn – en dus zelf ook weer een beeld van de gehele schepping. Maar de wereld draait dus niet om hen. En de mens diende zich dus ook niet op de mens te richten, maar op datgene wat het verste van hem afstond.
De hemel.
God.