386. Leven met paradoxen

Posted on Jun 28, 2022 in Blog, Featured

386. Leven met paradoxen

Vijfhonderd jaar geleden zag Europa de eerste schermutselingen van de Reformatie. In januari 1522 was er een eerste kleine beeldenstorm in het protestantse centrum Wittenberg door aanhangers van Martin Luther (wat Luther terugbracht uit zijn asiel in de Wartburg bij Eisenach, om de onlusten te bezweren). In Zürich brachten tijdens de vastentijd aanhangers van predikant Huldrych Zwingli hun kritiek op de kerk naar voren. Binnen enkele jaren zouden deze rimpelingen uitgroeien tot hoge golven van protest die de oude kerk zouden doen scheuren en Europa in bloedige godsdienstoorlogen zouden storten.

Hoewel elke grote historische gebeurtenis een veelvoud van oorzaken heeft en de Reformatie gedeeltelijk op het conto van kerkelijke corruptie en opkomende burgerij geschreven kan worden, moeten we niet vergeten dat de kern van de Hervorming geïnspireerd werd door bepaalde gedachten. Door ideeën over wat de mens is, wat God, en wat de verhouding tussen beide. (Bijvoorbeeld of die verhouding bemiddelaars in de vorm van priesters behoeven.)

Velen hebben gesignaleerd of onderstreept dat de belangrijkste theologische ideeën van de Reformatie uit de geest van kerkvader Augustinus komen, met name zijn gedachten over de menselijke vrije wil en de rol daarvan in onze verlossing.

In het kort: het debat begon zo’n zestienhonderd jaar geleden tussen Augustinus en de Britse monnik Pelagius. Waar Augustinus de onontkoombaarheid van de erfzonde onderstreepte en dacht dat alleen Gods genade een mens kon verlossen, zag Pelagius een rol voor onze goede bedoelingen en goede werken. De laatste geloofde daarom ook in de vrije wil van de mens. Augustinus deed dat niet: volgens de bisschop van Hippo was de menselijke vrije wil zo aangetast door de erfzonde dat alleen interventie door God (via Jezus) een mens uit de klauwen van de duivel kon halen.

Dit debat, over de verhouding van vrije wil en genade, goede werken en geloof, speelde de gehele middeleeuwen en ook in de zestiende eeuw, waar het – als kernpunt van de Lutherse hervormingen – werd bediscussieerd door Luther en Erasmus.

Paradox
In 1525 schreef Erasmus Diatribe Seu Collatio De Libro Arbitrio (Discussie of Vergelijking Over de Vrije Wil) als kritiek op Luthers belangrijkste stelling, dat de mens geen eigen inbreng heeft in zijn verlossing. In het daaropvolgende jaar publiceerde Luther zijn repliek De Servo Arbitrio (Over de Geknechte Wil)
Meerdere historici hebben betoogd dat er zelden een discussie is geweest waarin de partijen enerzijds zo aan elkaar gewaagd waren, anderzijds zo langs elkaar heen hebben gepraat.
Zoals Johan Huizinga het schetst in zijn Erasmus-biografie:

Getrouw aan zijn methode en met een kennelijke toeleg om ditmaal autoriteit en traditie hoog te houden, ontwikkelde Erasmus het betoog, hoe de Bijbel leert, de doctores bevestigen, de filosofen bewijzen en de menselijke rede getuigt, dat ‘s mensen wil vrij is.

Daartegenover staat de ‘geweldige boerengeest’ van Luther, die de ‘verbazende consequenties van zijn brandend geloof’ trekt:

Om het indeterminisme met duidelijke woorden te verslaan, moest hij nu wel grijpen naar die primitieve metaforen van een hooggespannen geloof, dat uitdrukken wil, wat niet uit te drukken is: Gods twee willen, die niet samenvallen, Gods ‘eeuwige haat tegen de mensen, niet enkel een haat jegens tekortkomingen of werken eens vrijen wils, maar een haat die bestond zelfs eer de wereld geschapen werd’ en dat beeld van de menselijke wil, die als een rijdier in het midden staat tussen God en de duivel, om door de een of de ander te worden bestegen, zonder zelf tot een der twee strijdende berijders te kunnen gaan.

Erasmus, de afstandelijke geleerde, de scepticus, de rationele denker, las Augustinus en Luther en concludeerde dat ze dachten in paradoxen die voor henzelf onbegrijpelijk zijn. Bijvoorbeeld dat waneer wij handelen, het niet wijzelf zijn die dat doen, maar een of andere vorm van noodzakelijkheid in ons. Of dat God het Goede in ons, dat van Hem komt, beloont en het Slechte, dat ook van Hem komt, bestraft.

Waar Erasmus paradoxen afwijst en probeert ze te ontrafelen, omhelst Luther in zijn verweer de onmogelijkheid van paradoxaal denken:

Dit is de hoogste gradatie van geloof – te geloven dat Hij genadig is, die zo weinig redt en zo velen verdoemt; om te geloven dat Hij rechtvaardig is, die ons volgens zijn eigen wil ons noodzakelijk verdoemd maakt…

Luther juicht het toe als de Rede iets niet kan denken – dat geeft namelijk ruimte voor Geloof. Bij elk verwijt van onredelijkheid kraait hij triomfantelijk ‘precies!’ En elke tegenspraak is een bewijs van waarheid, zoals Gods wraakzucht zijn genade bewijst, en Gods valsheid zijn rechtvaardigheid.
Wie zichzelf wil verbeteren, is geen goed mens maar een hypocriet.
Alleen de nietswaardige verdient genade.
Niemand zal geloven dat hij uitverkoren is behalve de Uitverkorenen.

Niemand kan deze dingen begrijpen, maar je kunt ze wel geloven.

Vanuit logisch en wetenschappelijk oogpunt zijn deze uitspraken onzinnig; je kunt er niemand met argumenten van overtuigen, je kunt hier niets bewijzen. En bewijzen is wat Erasmus het liefste zou doen – terugvoeren op een logisch bewijs, of een gezaghebbende passage in de Bijbel, of een onloochenbare observatie.
Luther wil niets bewijzen, Luther wil alleen geloven. En hij had, zo zou je kunnen zeggen, in de zestiende eeuw ‘de tijd mee’. Slechts een kleine groep intellectuelen wilde een uitgewogen debat dat ook kon eindigen in onzekerheid. De meeste mensen wilden meegesleept worden door iemands stellige overtuigingen.
Wij moderne mensen herkennen onszelf waarschijnlijk beter in Erasmus, met zijn betoog voor redelijkheid, twijfel en tolerantie. Wij lezen Luther en keuren het fanatisme af – waar de burger van vijftienzoveel instemmend zal knikken bij Huizinga’s typering:

Maar… het was Luther die hier stond op de rotsgrond van een absolute mystische doordrongenheid van het eeuwige, voor wie alle lagere begrippen verbrandden als dor stro in de gloed van Gods majesteit, voor wie iedere menselijke medewerking aan het heil een schending was van Gods roem. Erasmus geest tenslotte lééfde niet in de begrippen, waar het hier om ging: van zonde en genade, van verlossing en van de ere Gods, die de reden van alles is.

Redelijk beschouwd heeft Erasmus het gelijk aan zijn kant. Redelijk beschouwd. Maar er is meer dan de rede, en dat is iets wat we allemaal weten, maar regelmatig schijnen te vergeten.

Wat Luther met grote woorden beschrijft, in zaken die, naar zijn mening, belangrijker zijn dan leven en dood – zonde, genade, verlossing, ere Gods – zijn overtuigingen en ervaringen die we allen kunnen delen als we naar ons eigen leven kijken.

Neem excuses en vergeving.
Wanneer iemand in het openbaar excuses aanbiedt worden die excuses gretig gerecenseerd. Waren de excuses oprecht? Klopte de bijbehorende lichaamstaal? Kwam iemand uit zichzelf met de verontschuldiging of pas nadat een fout publiek was geworden (was het berouw of damage control)? Nam de spijtbetuiger wel ruiterlijk de schuld op zich, of verontschuldigde hij/zij zich op een manier die de verantwoordelijkheid voor de ‘schade’ toch weer bij het slachtoffer legde? (‘Het spijt me als iemand zich door mijn uitlatingen gekwetst voelde.’)

Bij excuses in de privésfeer treffen we op eendere wijze een oordeel. Pas als we de spijtbetuiging ‘correct’ vinden zijn we geneigd om de schending te vergeven.

Op het internet wemelt het van tips om ‘succesvol’ je spijt te betuigen.
Zeg niet: ‘het spijt me, maar…’. En ook niet: ‘Als ik iemand gekwetst heb…’. Toon begrip voor het gevoel van de ander. Repareer de schade. Wacht even met excuses maken, maar wacht ook weer niet te lang.

Wat mij bij al die tips opvalt, is dat het impliciet of expliciet altijd om het perspectief van de ‘dader’ gaat. Iemand heeft iets fout gedaan en probeert dat via een spijtbetuiging weer ‘goed te maken’.
Een succesvol excuus is er eentje dat geaccepteerd wordt, dat wordt vervolgd door vergeving.
Zand erover.
Voor een ‘goed’ excuus is het echter nodig dat het ‘resultaat’ van die vergiffenisvraag geheel buiten beeld blijft. Want een vergeving, een ver-ontschuldiging of schuld-ongedaan-maken, ligt geheel in de macht van partij die geschaad is. De excuses mogen nooit een verkapte oproep zijn die vergeving te schenken.

We kunnen, volgens mij, niet anders doen dan deze paradoxale conclusie trekken: voor een ‘goed’ excuus moet de excuus-vrager zich er helemaal niks van aantrekken of een excuus goed is – of het aan alle eisen voor een ‘succesvolle’ spijtbetuiging voldoet.
Een excuus waarbij alle eisen worden afgevinkt is bij uitstek een onoprecht en daarom onaanvaardbaar excuus.

In zeker zin is een geslaagd excuus iets dat je moet ‘overkomen’ – dat tegelijk heel veel moeite moet kosten en spontaan gebeurt. Zoals een bekering, of een goede daad.

Misschien moeten we wel concluderen: alle ‘goede’ dingen die we doen, zijn onderhevig aan dezelfde paradox: willen ze wat waard zijn, dan moeten ze wat ‘kosten’ en bewust gewild zijn. Maar als ze bewust gewild zijn, zijn ze weer doelgericht en daarom minder oprecht.

Nog een voorbeeld: liefde.
Waarom houd je van iemand? Natuurlijk omdat die persoon leuk, knap, slim, grappig, moedig, gul en lief is. Dat spreekt vanzelf. Maar zijn dat écht de redenen dat je van iemand houdt, of houd je gewoon van iemand en dicht je die persoon daarom al die goede eigenschappen toe?
En je ‘doet alles’ voor een geliefde, niet zodat die van je houdt maar omdat jij die ander bemint. Of is het toch andersom?
In een liefdevolle relatie vallen beide zaken bijna niet te scheiden en gaat de liefde vaak twee tegenstrijdige kanten uit. Liefdevolle handelingen zorgen voor liefde die weer vertedert die weer liefdevolle daden voortbrengt. Enzovoort. De kip legt een ei en uit het ei komt weer een kip.

Luther spreekt (in Von der Freiheit eines Christenmenschen) vanuit een soortgelijke kringloop – vanuit de binnenkant van de paradox, zou je kunnen zeggen:

De Christen moet, omdat hij geheel vrij is, zich omgekeerd bereidwillig tot dienaar maken, om zijn naaste te helpen, met hem omgaan en hem behandelen, zoals God met hem door Christus gehandeld heeft – en alles gratis, niets daarin zoeken als goddelijke welgevallen, en zo daarbij denken: wel, mijn God heeft mij onwaardige, verdoemde mens zonder verdienste, helemaal voor niets en uit louter barmhartigheid door en in Christus de volle rijkdom van de gerechtigheid en zaligheid gegeven zodat ik verder niets meer nodig heb als geloof, het zij zo. Nu, zo wil ik een dergelijke vader, die mij met zijn eigen, overweldigende goederen zo overladen heeft, op mijn beurt vrij, vrolijk en voor niets doen, wat hem welgevallig is en voor mijn naaste ook een Christus worden, zoals Christus met mij geworden is, en niets anders doen dan wat ik zie dat hem noodzakelijk, nuttig en gunstig is, omdat ik immers door mijn geloof in Christus van alles genoeg heb. Zie, zo stroomt uit het geloof de liefde en neiging tot God, en uit de liefde een vrij, bereidwillig, vrolijk leven, om de naaste voor niets te dienen.

Mij valt op dat de hervormer hier onvervaard van vrijheid spreekt – in één adem met knechtschap, waarmee het inderdaad vaak samen gaat. Op andere momenten stelt Luther dat er helemaal geen vrijheid is, maar hier komt hij denk ik dichter bij de werkelijkheid – namelijk dat er wel vrijheid is, maar dat die niet te denken valt zonder ‘onvrijheid’.

Luther opent zijn Von der Freiheit daarom ook met twee ogenschijnlijk tegenstrijdige stellingen:

Een Christen is een vrije heer over alle dingen en aan niemand onderworpen.
Een Christen is een dienstbare knecht voor alle dingen en aan iedereen onderworpen.

Hoewel onderling tegenstrijdig zijn beide uitspraken toch allebei waar, verkondigt Luther, en ik denk dat hij daarin gelijk heeft (met zijn argumenten om dit te verdedigen ben ik het trouwens vaak niet eens – maar lees het korte verdedigingsschrift tegen zijn excommunicatie zelf).

Die paradox: dat de mens vrij is en onvrij, heer en knecht, daarmee moeten we leren leven, denk ik. Net als met de paradox dat iemand van je houdt terwijl je het niet ‘waard’ bent. En de paradox dat je vergeving alleen kunt krijgen, niet vragen.
Van dergelijke paradoxen zit een mensenleven vol.
Gelukkig maar.