385. Wat verdienen wij?

Posted on Jun 16, 2022 in Blog, Featured, Uncategorized

385. Wat verdienen wij?

De psalmen in het Oude Testament staan vol van passages die de slechtheid van het menselijke ras uitdrukken. “Allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard, er is niemand die goed doet, zelfs niet één” stelt Psalm 14:3 (en herhaalt Psalm 53:4)). Twee verzen eerder staat er: “Zij bedrijven gruwelijke en afschuwelijke misdaden, niemand is er, die goed doet.” En Psalm 143:2 smeekt God: “ga niet in het gericht met uw knecht, want niemand die leeft, is voor u rechtvaardig.”

Gods rol als rechter heeft een voorname plaats in het hele Oude Testament (Psalm 7:12 “God is een rechtvaardige Rechter en een God, die te allen dagen toornt.”) en het is deze traditie, van een veroordelende God voor wie wij slechts zondaars zijn, die grotendeels de Reformatie heeft gevormd.

Traditie
De historische lijn gaat van Paulus naar Augustinus naar Luther.
Paulus haalde uit de verwensingen in psalmen en profeten de zekerheid dat aan mensen niets deugt, tenzij God hen door geloof rechtvaardigt. In de brieven aan de Galaten en de Romeinen legt hij het uit.

Unknown

Mensen “staan allen onder de zonde”, schrijft Paulus aan de Italiaanse discipelen (Rom. 3:9). En hij citeert (parafraseert):

Niemand is rechtvaardig, ook niet één, er is niemand, die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden.
er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.

Een paar eeuwen later overtuigt deze gedachtengang Augustinus. Misschien niet onbegrijpelijk, gezien de tijd en de plaats waarin hij schreef: een Afrikaanse provincie van het ineenstortende Romeinse rijk, in een strijd van rivaliserende christelijke kerken en volksverhuizingen.
Voor Augustinus, in elk geval, was de mens onverbrekelijk aan zonde gekoppeld. Zelfs een baby is al verkeerd bezig, legt hij uit in zijn Belijdenissen:

Het kan toch niet juist zijn dat een kind, zelfs op die leeftijd, om alles huilt, ook om dingen die schadelijk voor hem zijn; om een woede-aanval te krijgen tegenover mensen die ouder zijn dan hijzelf en die hem niet hoeven te gehoorzamen; en om zijn best te doen anderen, die beter weten dan hij, te slaan en pijn te doen, ook zijn eigen ouders, wanner ze hem niet zijn zin geven en weigeren toe te geven aan impulsen die hem alleen maar zouden schaden. Dit laat zien dat, als baby’s onschuldig zijn, ze dat niet zijn omdat ze geen kwaad willen, maar omdat ze niet sterk genoeg zijn.

In een wereld die, net als die van Oedipus, goed bestraft en kwaad beloont, komt Augustinus tot de overtuiging dat mensen geen rol kunnen spelen in hun eigen redding. Daarvoor zijn ze te slecht en te zwak.

OIP.IvNHmwKqLyJqTQuvVAfGOwHaKK

Dat er evengoed nog mensen zijn die zich in Gods gunsten kunnen verheugen, ligt volgens Augustinus alleen aan Gods besluit om sommigen van eeuwige verdoemenis te redden. Die gelukkige uitverkorenen hebben dat niet verdiend, bijvoorbeeld door het volgen van Gods wetten of door goede werken, denk dat maar niet. God (hier komt Augustinus’ Platoonse scholing om de hoek kijken) is een oneindig, volmaakt, onveranderlijk Wezen – die wordt niet beïnvloed door een correct uitgevoerd ritueel of een uitgedeelde aalmoes. Of iemand gered is of verdoemd moet al vóór diens leven, ja zelfs voor de schepping van de wereld hebben vastgestaan. Elke andere conclusie is onverenigbaar met de majesteit van het goddelijke wezen. Denken dat de mens door zijn eigen deugden de hemel kan verdienen: dat geeft volgens Augustinus de mens te veel eer en God te weinig.

Maar. Als de verlossing niet door menselijk handelen te rechtvaardigen is, hoe dan wel? Het antwoord van Paulus, waarop Augustinus teruggrijpt, luidt: door het geloof.

Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. (Rom. 3:28)

Volgens Paulus is deze rechtvaardiging/verlossing er niet eentje die verdiend is, zoals de rechtvaardiging uit werken – dan zou verlossing immers een verplichting zijn. Bij rechtvaardiging door geloof is er sprake van genade: “Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade.” (Rom. 4:16)

Elf eeuwen na Augustinus wordt ook Martin Luther door deze woorden overtuigd.

Geloof
Luther was gefascineerd door Paulus’ boodschap aan de Romeinse christenen, hij heeft over deze brief colleges gegeven (en over de Psalmen, die hij in hetzelfde licht las).
Voor Luther heeft Paulus het juist gevat: wet noch werk kan de zonde van de mensen wegnemen, dat kan alleen het geloof. In Luthers eigen vertaling van Paulus:

So HALTEN WIR ES NU/DAS DER MENSCH GERECHT WERDE/ON DES GEZETZES WERCK/ ALLEINE DURCH DEN GLAUBEN.

Dit inzicht was voor Luther zo baanbrekend en doorslaggevend, dat hij het in zijn memoires (apocrief) heeft beschreven als een bekeringsmoment, een Saulus op weg naar Damuscus-flits. Volgens Luther ging het om een crisis die werd opgelost door een nieuwe interpretatie van Rom. 1:17:

Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.

Een traditionele lezing van goddelijke rechtvaardigheid, iustitia, gekoppeld aan de wetenschap van de menselijke zondigheid (waarvan Luther en Augustinus doordrongen waren), kon dit niet anders begrijpen als het idee dat een rechtvaardige God alle feilbare en falende mensen zou veroordelen – iedereen dus. En dat niemand het paradijs zou winnen, wat het hele idee van verlossing tot een grap zou maken. Net als Augustinus was Luther zich bij uitstek bewust van zijn zonde, hij wist dat hij niet de wilskracht bezat om werkelijk, volgens de wet en de werken (de ethische zin) ‘rechtvaardig’ te worden.

OIP.N8yywwa9RodsHRXcaX3W2gHaHa

Maar ‘plotseling’ zag Luther dat je de passage ook anders zou kunnen begrijpen – als een beschrijving van het proces waarbij Gods rechtvaardigheid, door het geloof in Jezus, in elke zondaar zou kunnen komen. Dat je, als iemand in Jezus gelooft, hem Gods rechtvaardigheid kunt ‘aanrekenen’.
In Luthers eigen, nieuw-Hoogduitse woorden:

SINTEMAL DARINNEN OFFENBARET WIRD DIE GERECHTIGKEIT/DIE FUR GOTT GILT/WELCHE KOMMT AUS GLAUBEN IN GLAUBEN/WIE DENN GESCHRIEBEN STEHET/DER GERECHTE WIRD SEINES GLAUBENS LEBEN.

Voor moderne mensen – zeker non-gelovigen – is Luthers opvatting hogelijk problematisch. Niet langer vecht de mens in deze lezing tégen verleiding en vóór rechtvaardigheid, hij is alleen nog maar een willoos instrument in de handen van hogere (en ‘lagere’) machten. Van een bewust naar gerechtigheid strevend, vrij willend subject wordt de mens bij Luther een soort slagveld voor God en Duivel, zoals een long of darm een slagveld van kanker en chemotherapie kan worden.

Als moderne, melodramatische mensen hebben we moeite met dit idee, zoals we moeite hebben met het lot van Job, en van Oedipus. In ons wereldbeeld moet ellende, net als geluk, verdiend zijn, het moet een eigen prestatie zijn. Heb je kanker? Dan heb je jezelf blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen, of niet gezond gegeten. Krijg je een promotie? Dan heb je harder gewerkt of meer risico genomen dan een ander. Dat voorspoed en tegenslag je ook gewoon kan overkomen, is een idee dat ons vreemd is geworden.

Wij modernen kunnen dan ook niet meegaan met de logica van ‘aangerekende’ rechtvaardigheid, zeker niet als die rechtvaardigheid is voorbestemd – omdat een alwetende God al voor de schepping van de aarde bepaald heeft of wij bij de uitverkorenen zullen horen. Wij redeneren dan: als God toch al ver voor mijn geboorte heeft bepaald of ik bij de zaligen hoor; als het alleen op het geloof aankomt en goede werken er toch niet toe doen – dan hoef ik me daarvoor ook niet meer in te spannen (ja misschien kan ik zelfs ongestraft het slechte doen).

Op deze tegenwerping heeft Luther wel een antwoord, maar erg sterk is het niet. Hij verdeelt namelijk de mens onder in een geestelijke, innerlijke kant en een lichamelijke, uiterlijke kant. OM te voorkomen dat de uiterlijke kant (de erfzonde-kant) van de mens die geestelijke kant in de weg zit en daarmee de ontvangst van geloof frustreert, moet de (uiterlijke) mens zich aan de wet houden en deugdzaam zijn – om de weg voor geloof te effenen.
Waarom deze ‘uiterlijke’ inspanningen op een bepaalde manier wel aan onze eigen wil onderhevig zouden zijn – en de uitkomst daarvan niet al tevoren door God bepaald – vertelt Luther niet.

Ondanks deze problemen is de oude denktrant, dat je niet alles krijgt wat je verdient en dat je niet alles verdient wat je krijgt, in onze meritocratische samenleving bewaard gebleven. En de aanzet van die onderstroom vinden we ook bij Luther, verrassend genoeg.

Meer hierover de volgende keer!