351. Afwezigheid zonder gemis

Posted on Sep 19, 2021 in Blog, Featured, Uncategorized

351. Afwezigheid zonder gemis

Er is een beroemde passage in het filosofische hoofdwerk van Jean-Paul Sartre, L’être et le Néant (Het Zijn en het Niets) waarmee hij wil illustreren dat het Niets overal op de loer ligt, “opgerold in het hart van het zijn, als een worm”. Sartre beschrijft hiertoe een situatie waarbij hij met een vriend, Pierre, in een café heeft afgesproken. Als hij bij het café aankomt is Pierre er niet. Volgens Sartre is het café doordrongen van Pierre’s afwezigheid, wat volgens hem een bijzonder instantie van het Niets is.

Overal waar Sartre zijn blik richt, zo zegt hij, straalt het Niets hem tegemoet: de barman is niet-Pierre, de gasten zijn niet-Pierre, de spiegels, de tafels, de lampen – allemaal niet-Pierre. En zo opent zich voor de existentialist plotseling de afgrond van het Niets, wat iemand als Sartre vervult met ontzetting en met walging (de titel van zijn beroemdste roman, waarin hij eendere ervaringen beschrijft).

Voor Sartre’s observatie geldt hetzelfde als voor veel van zijn voorbeelden: ze zijn treffend gevonden en meeslepend verwoord, zodat ze op het eerste gezicht overtuigend overkomen. Maar als je er even over na gaat denken, dan valt er wel wat tegenin te brengen. In elk geval kun je jezelf afvragen of de analyse zo universeel is als Sartre poneert.

Aan- en afwezigheid
Wat vele lezers bij Sartre’s kenschets zal binnenschieten, is dat je het bewustzijn van Pierre’s afwezigheid ook heel anders kunt beschrijven: namelijk dat het café, ondanks Pierre’s afwezigheid, van diens aanwezigheid is doordrongen. Van Zijn, niet van Niets. Want wie is er niet de barman, niet de andere gasten, niet de spiegel, niet het schilderij: Pierre! Vriend Pierre, die zich in elke hoek opdringt, ondanks – of zelfs juist door – dat hij er niet is.

Wat Sartre miskent, denk ik, is dat aan- en afwezigheid alleen maar samen kunnen worden begrepen en dat je ze niet uit elkaar kunt halen. In ons bewustzijn zijn ze gekoppeld zoals het aloude duo uit de Gestaltpsychologie, Figuur en Achtergrond.

OIP.fuG-cIWPJRCW4MvQFcHBzwHaId

Waar we afwezigheid signaleren, construeren we die afwezigheid immers rondom een bepaalde vorm van aanwezigheid. Die aanwezigheid kan verwacht zijn, zoals in de passage van Sartre, maar ook herinnerd, zoals in het gedicht Thuis is zo treurig van Philip Larkin:

Thuis is zo treurig. Het blijft zoals achtergelaten,
Ingericht op het gemak van de laatsten die er woonden
Als om ze terug te winnen. In plaats daarvan, beroofd
Van iemand om te behagen, kwijnt het weg,
Zonder moed de diefstal terzijde te leggen

En terug te keren naar het begin,
Een blije gooi naar hoe dingen moeten zijn,
Allang ernaast beland. Je kunt zien hoe het was:
Kijk naar de schilderijen en het bestek.
De muziek in de pianokruk. Die vaas.

Afwezigheid van de laatste bewoners openbaart hier geen gapende leegte, denk ik, en het lokt ook geen walging of ontzetting uit. Zeker, het huis is treurig omdat het verlaten is. Maar tegelijk is er weemoed, vertedering, ontroering bij de herinnering aan wat geweest is. En uit elk detail blijkt niet alleen de afwezigheid van de vroegere bewoners (ouders?), maar meteen ook hun aanwezigheid. In de schilderijen, in het bestek, in de muziek. In die vaas.

Natuurlijk, er wordt iemand gemist, maar dat kan alleen als er ook naar iemand verlangd wordt, als iemand belangrijk voor je is. En in dat verlangen is de hele omgeving een teken van degene die er niet is, of die persoon nu smachtend wordt verwacht of treurend herdacht.

Er is een ander gedicht van Philip Larkin, Afwezigheden, waarin we dichter bij het gevoel van Sartre komen. Een observator staat aan de oever van de zee en probeert vergeefs houvast te krijgen op wat er te zien is. Alles is in beweging, eigenlijk is alles beweging, in weerwil van termen als golf, vloer, muur. Eigenlijk zouden we alleen werkwoorden moeten gebruiken, net als het mooie ‘torenen’: vloeren (horizontaal worden), muren (verticaal worden), golven (heen en weer gaan tussen horizontaal en verticaal).

Regen klettert op een zee die helt en zucht.
Snel-rennende vloeren storten in kuilen,
Torenen plots, met sproeiende haren. Tegenover
Valt een golf als een muur: een andere volgt,
Kwijnend en klauterend, onvermoeibaar spelend
Waar geen schepen en ondiepten zijn.

Schepen en ondiepten: dat zijn plekken waar zich mensen (kunnen) ophouden, maar helaas zijn ze niet te zien. Het enige dat enigszins houvast biedt is dat de zee een begrenzing heeft, een oever, van waaruit ze bekeken kan worden. Maar deze begrenzing – en daarmee het laatste houvast, de laatste aanwezigheid – valt weg wanneer we onze blik naar boven richten, naar de hemel:

Boven de zee volgt de nog oeverlozere dag
Met wind doorzeefd, oplichtende galerijen:
Ze verschuiven tot grote ribbels, worden weggezeefd.

Zulke zolders van mij vrijgemaakt! Zulke afwezigheden!

In de laatste uitroep klinkt iets van Sartreaanse (en Pascaleaanse) ontzetting door over het grote Niets boven ons, het Uitspansel dat mij uitsluit, waar ik afwezig ben, waar geen mensen zijn – en zelfs helemaal niets menselijks. Als de hemel een soort zolder is, dan is die helemaal leeg, opgeruimd, vrij van alles en iedereen, vrij van mij. En als ik naar die zolder kijk kan ik niet weemoedig terugkijken op een bepaalde aanwezigheid; ik kan evenmin hoopvol vooruitkijken. Ik kan alleen verzuchten: ‘Zulke afwezigheden!’

Afwezigheid zonder gemis
Maar klinkt er in het gedicht zulk een ontzetting door, zulk een gemis van aanwezigheid? Volgens mij niet.
Er zit namelijk een ontwikkeling in ‘Afwezigheden’ – alles begint met regen en een woeste zee, maar de stemming verandert wanneer de (impliciete) observator zijn blik naar boven richt. Zeker, daar ontbreekt de vastigheid van een oever, maar wel is de zon doorgebroken. Er zijn gaten geslagen in de bewolking, langzaam ontstaan ‘galerijen’ van licht (ik stel mij hier het verschijnsel van de jacobsladder voor).

dsc06899

De wolken worden dunner, als ribbels, en de lucht klaart op, als een opgeruimde zolder. Zeker, die zolder is leeg, ik ben er afwezig. Maar dat is misschien ook wel een opluchting – de ruimte is niet gevuld met mijn herinneringen en verwachtingen, er is alleen maar afwezigheid. En die zucht die daardoor wordt uitgelokt, die verzuchting ‘Zulke afwezigheden’, dat kan een zucht van opluchting zijn, en de uitroep een teken van ontzag, van overgave. Er is sprake van afwezigheid, maar anders dan bij de eerste twee voorbeelden, van café en huis, is er geen spraken van gemis.

Ik ben er niet, zucht de dichter. Hè… gelukkig maar. En daarmee vertolkt hij een gevoel dat we ook wel allemaal kennen, denk ik, en dat ons vervult als we door grootse natuur worden overweldigd. Door de zee, of een mooie wolkenlucht, of een sterrenhemel, of een berglandschap. Op die momenten kunnen we ons heel klein en nietig voelen, maar dat is niet per se een vervelend gevoel, integendeel.
Soms is het juist heel fijn om jezelf op te voelen gaan in een groter geheel, om te ervaren dat je er als het ware niet meer bent. Om, op een paradoxale manier, deel uit te maken van die ultieme Afwezigheid – de afwezigheid die (figuur en achtergrond!) tegelijk de ultieme Aanwezigheid is.

NB: Bij de vertaling van Larkins gedichten heb ik mij geconcentreerd op de betekenis en daarom geen moeite gedaan de rijmende vorm te behouden.