348. Voorbij goed en kwaad

Posted on Aug 27, 2021 in Blog, Featured, Uncategorized

348. Voorbij goed en kwaad

De vorige keer schreef ik op deze plek over de interpretatie van ziekte, en hoe veel van die interpretatie overinterpretatie is. Een verstandige omgang met ziekte – een gezonde omgang – beperkt die interpretatie tot het noodzakelijk, het behulpzame, het doelgerichte. Tot datgene wat de patiënt, of de getroffen samenleving, echt helpt.

Inspiratie van die analyse is het werk van Susan Sontag, van Against Interpretation in de jaren zestig via Illness as a Metaphor in de jaren zeventig naar naar AIDS and its Metaphors in de jaren tachtig.

Toegepast op Covid is misschien de belangrijkste les dat we overinterpretatie in de vorm van moralisering beter zo veel mogelijk kunnen inperken.
Schuldig/onschuldig, verantwoordelijk/onverantwoordelijk, zelfzuchtig/onzelfzuchtig: dat zijn schema’s die ons in de pandemie niet veel verder helpen. Ze zetten bevolkingsgroepen en individuen tegen elkaar op, in een tijd waarin we – indachtig het nationale motto – alleen samen corona onder controle kunnen krijgen. (Of is dat ook een voorbeeld van ongewenste moralisering?).
In het morele perspectief zijn er bijvoorbeeld rondom vaccins geen ingewikkelde kwesties waarin een heleboel voors en tegens tegen elkaar worden afgewogen: nee, wie geen vaccin neemt (in morele termen: een ‘vaccinweigeraar’) begaat een onrechtvaardigheid tegenover mensen die wel een vaccin nemen maar hierdoor (vanwege een onderliggende kwaal) niet beschermd worden.

Om te zien hoe we moralisering aan banden kunnen krijgen, moet ik eerst een omweg maken en uitleggen wat ik met moraal bedoel.
Met moraal bedoel ik de omgang van mensen met elkaar waarbij hun normen, waarden en gedrag samenvallen in oordelen die universeel zijn (moord is altijd en overal slecht), die bepaald gedrag voorschrijven/verbieden (eer uw vader en uw moeder/gij zult niet stelen) en zeker gedrag belonen/bestraffen (we prijzen de held, verachten de lafaard).
Als ik iets doe (daad A) om een morele reden, dan vind ik dat iedereen, altijd, A moet doen. En als ik om een morele reden iets niet doe (daad B) dan vind ik dat niemand, ooit, B moet doen.
Als ik overtuig ben van het goede van A en het slechte van B, dan acht ik de tegenovergestelde opinie incorrect. En ik moet dan A willen belonen en B bestraffen.

Moraal begint met een bepaald soort oordeel, maar bestaat uit meer dan oordelen (moord is slecht). Het omvat ook gedrag (ik pleeg geen moorden), emoties (moord vervult me met afschuw) en karakter (ik ben iemand die nooit een moord zou kunnen plegen).

In moraal zien we, zou je kunnen zeggen, de essentiële kenmerken van onze manier van omgang, van onze relaties, naar voren. In elke context tonen we gedrag dat meer of minder passend is, dat zich meer of minder aan normen houdt, meer of minder bepaalde waarden uitdraagt. Waar deze variaties geen voorwerp zijn van smaak maar van goed- of afkeuring, waar we overmand worden door gevoelens van afschuw en bewondering, waar we denken in termen van ‘een goed mens’: daar is sprake van moraal.

Modellen van omgang
Nu is die moraal afhankelijk van de situatie waarin mensen zich bevinden, de rol die ze spelen en de middelen of hulpbronnen die gebruikt worden.
Zo zou ik een bepaalde zuinige omgang met geld goedkeuren (of tenminste begrijpen) als het mijn baas in een werksetting betreft, maar niet als het gaat om een vriend bij een avondje uit. En het is één ding om te ‘investeren’ in de opleiding van je kind, iets geheel anders om te beleggen in een aandeel Shell. Van mijn aandeel verwacht ik dividend, van mijn kind niet.

Ik heb eerder de omgang van mensen beschreven volgens de analyse van antropoloog Alan Fiske, die een schema van vier mogelijke relaties hanteert. Volgens Fiske (die wat andere termen gebruikt) gedragen mensen zich tegenover elkaar volgens de regels binnen een bepaald model, namelijk gemeenschap, rang, wederkerigheid of markt.

1. Gemeenschap: in dit model delen mensen hun bezittingen binnen de groep, zonder precies bij te houden wie wat bijdraagt of consumeert. De groep is één, met een gemeenschappelijke essentie. Deze groepsidentiteit wordt bevorderd en bewaakt door rituelen en gedeelde praktijken (lichamelijk contact, maaltijden, zingen en dansen/marcheren, gemeenschappelijke emotionele ervaringen). Er is een gedeelde geschiedenis, een koppeling aan een bepaalde plaats.
2. Rang: een hiërarchie gebaseerd op autoriteit, dominantie, status, leeftijd, geslacht, kracht, rijkdom of anciënniteit. Meerderen krijgen wat ze nodig hebben van ondergeschikten, of nemen wat ze willen. Deze ondergeschikten zijn hen eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd. De meerderen beschermen in ruil hiervoor de groep, vanuit een ‘adel verplicht’ soort van verantwoordelijkheid.
3. Wederkerigheid: dit model gaat uit van ‘de ene hand wast de andere’ en ‘oog om oog, tand om tand’. Goederen worden eerlijk verdeeld, net als inspanningen. Iedereen komt aan de beurt of heeft evenveel kans; iene-miene-mutten, tien pond grutten. Eerlijkheid staat hier voorop, het gaat erom fair te handelen. In de vorm van een eerlijke ruil is het de basis van de economie.
4. Markt: de werkelijkheid van regels, vertegenwoordiging, proportionaliteit. Bij deze vorm van gemeenschap hebben we geen heldere intuïties en onze gevoelens spelen er geen rol. Het komt aan op rekenen (25% van de inleg betekent 25% van de opbrengst) en het volgen van regels (zo hebben we het afgesproken). Deze codes gelden niet alleen in een ontwikkelde economie, maar ook in een democratie, of in een grote organisatie.

Elk model van omgang kent zijn eigen sociale codes en uiteraard ook zijn eigen moraal.

In de wereld van Gemeenschap draait moraal vooral om zorgen voor elkaar. Om aardig en lief zijn, onzelfzuchtig, gul. Alle relaties zijn intiem en persoonlijk, de basiswaarde die beschermd moet worden is een gedeelde essentie (groepskenmerk).
Bij Rang is het belangrijk te gehoorzamen aan iemand die hoger op de ladder staat dan jij. Macht ligt meestal bij anderen en dus kan verantwoordelijkheid worden afgeschoven (bevel is bevel). Het woord van de opperste baas is wet, zo niet een heilig gebod.
Het model van Wederkerigheid heeft fairness als hoogste goed, iedereen moet eerlijk en gelijk worden behandeld. Dat betekent ook dat de meeste handelingen evenredig ‘terugbetaald’ moeten worden, zowel in beloningen als in straffen.
Markt, tenslotte, is de wereld van statistiek, van grote getallen. Het gaat om de beste uitkomst voor zoveel mogelijk mensen en een eerlijke verdeling (verhouding) tussen investeringen en opbrengsten.

De moraal van Covid
Hoe wordt in elk model aangekeken tegen Covid, met andere woorden: hoe zouden de vier modellen corona moraliseren?

In Gemeenschap draait het, zoals gezegd, om groepen met een gedeelde essentie. Dus om mensen die wel en niet gevaccineerd zijn, om kwetsbaren en niet-kwetsbaren, gevaccineerden en ‘vaccinweigeraars’. Om wij en zij, in-group en out-group, daders en slachtoffers. Elke groep stigmatiseert mensen die tot de andere groep behoren, iedereen probeert de eigen groep ‘zuiver’ (onbesmet) te houden. Er is veel empathie en solidariteit, maar alleen voor en met mensen in de eigen groep. Wij zijn slachtoffers van de pandemie en van het onverantwoordelijke gedrag van anderen. Zij hebben geen oog voor onze problemen.

In de wereld die gebaseerd is op Rang stellen mensen zich de vraag wat ze hebben gedaan om deze pandemie te ‘verdienen’? Hebben we God beledigd? Of Moeder Natuur? Er wordt bescherming gezocht bij ‘staatsman’ Rutte en bij deskundigen (Van Dissel, Gommers, Kuipers). Deze deskundigen zijn gaarne bereid ons te sturen, want adel verplicht. In de maatschappij van Rang en Autoriteit leven helden die voor ons de kastanjes uit het vuur halen (zorgmedewerkers) en schurken – die hen tegenwerken en ons uitbuiten (mensen die zich niet aan de maatregelen houden). Of andere helden (vrijheids- en waarheidsstrijders zoals Willem Engel, gelovigen die God boven corona stellen) en schurken (politici, journalisten, wetenschappers).

Oordelend vanuit Wederkerigheid willen we dat iedereen in gelijke mate deelt in voor en tegenspoed – maar ook dat iedereen beloond en bestraft wordt voor de eigen verantwoordelijkheid daarin. Dus zijn we bereid om iedereen te ondersteunen die direct of indirect door de pandemie wordt getroffen – met geld, maatregelen, aandacht, lof. Maar als iemand de besmetting zelf ‘veroorzaakt’ heeft, bijvoorbeeld door zich niet aan de 1,5 meter te houden of door een vaccinatie af te slaan, dan zeggen we ‘boontje komt om zijn loontje’ en houdt ons medeleven op. En onze hulp.

De drie bovenstaande sferen/modellen bieden duidelijke codes, omdat we in elke setting heldere intuïties hebben. Dat komt ook omdat we lange tijd (in een combinatie van) deze relatievormen geleefd hebben. Ruwweg: als jagers-verzamelaars tienduizenden jaren in Gemeenschap, als landbouwers duizenden jaren naar Rang, als moderne stedelingen eeuwenlang volgens Wederkerigheid.
In het perspectief van de Markt zijn er geen duidelijk morele regels, omdat we pas sinds kort bewoners van dit domein zijn.

Nu wil het dat een fenomeen als corona door en door een ‘Markt’-fenomeen is. Een verschijnsel van statistische berekeningen en risico-inschattingen – niet van morele zwart-wit indelingen. Het virus, de mens en het immuunsysteem: allen werken ze met onvoorstelbaar grote getallen waarvoor we intuïtief weinig begrip hebben en waarop onze morele indelingen niet van toepassing zijn. Kosten en baten, boetes en beloningen kunnen maar heel moelijk worden berekend. Wat ‘werkt’ in Gemeenschap, Rang of Wederkerigheid voldoet vaak niet in Markt. De beste uitkomst voor het grootst aantal mensen: dat kunnen we niet in één oogopslag identificeren.

Omdat Corona/Covid een Marktfenomeen is, kunnen ze volgens mij het beste volgens ‘Markt-regels’ worden aangepakt. En niet met de morele normen van de andere drie modellen.
Wat zijn die Markt-normen dan? Daarover volgende keer meer!