332. Beroep zonder roeping

Posted on Apr 15, 2021 in Blog, Featured, Uncategorized

332. Beroep zonder roeping

Millennials (dat wil zeggen mensen die zichzelf als zodanig afficheren, ikzelf beschouw ‘generatie’ als een onhoudbare categorie) schijnen moeite te hebben met het maken van keuzes in opleiding, loopbaan en relaties. Ze mogen in de huidige maatschappij hun leven zelf gestalte geven, maar die verantwoordelijkheid valt velen zwaar. Keuzestress en FOMO (Fear Of Missing Out) spelen hen parten.

Ik heb eerder over deze verschijnselen geschreven en dan met name over het idee van schaarse tijd dat de angst aanjaagt. Tijd is, in onze moderne beleving, iets wat (langzaam of snel) opraakt en waarvan je in de loop van je leven steeds minder hebt. Daarom is het nodig met zorg bepaalde keuzes te maken, omdat je er later niet meer op terug kunt komen.

Beroep
Een van de keuzes die de grootste omzichtigheid vergen is die van je beroep – de bezigheid waarmee je tegenwoordig niet alleen geacht wordt je geld te verdienen, maar die je leven betekenis moet geven.
Je beroep moet bij je passen, het moet aansluiten bij je talenten en je verlangens. Je moet de wereld er beter door maken en een goed salaris mee verdienen.
Je loopbaan moet onontkoombaar leiden tot je droombaan, waarin je passie ligt en je jouw hart kunt volgen.

Unknown

Iedereen vind het vanzelfsprekend dat er in onze samenleving beroepskeuzetesten en beroepskeuzeadviseurs zijn – om samen met jou uit te vogelen hoe je jouw ‘doel’ op het snijpunt van talent, passie, waarde en geld kunt vinden.

OIP.9hjs1COxTUfI4N82YrmHtgHaHm

Een beroep is tegenwoordig niets minder dan een roeping, iets wat je leven verandert en grotendeels vormgeeft. (En een nieuwe loopbaan heeft een impact die alleen met die van een religieuze bekering kan worden vergeleken.)

Interessant genoeg komt ons woord ‘beroep’ ook uit een godsdienstige context, namelijk de beroemde bijbelvertaling van Martin Luther. En Luthers woord ‘Beruf’ betekende oorspronkelijk eerder ‘roeping’ dan ‘professie’.

In de middeleeuwen – en nog in Luthers tijd – was het niet zo belangrijk wat precies je broodwinning was – dat was min of meer toevallig en ook niet van invloed op je (religieuze) verlossing. Jezus en Paulus hadden ons geleerd dat iedereen naar de hemel kon gaan: edelman, bedelman, dokter, pastoor – en dat het er niet toe deed tot welke maatschappelijke stand je behoorde. En aangenomen dat God de wereld zo goed mogelijk had ingericht en jou op de juiste plek had gezet, getuigde het van weinig geloof om aan je positie in de wereld te twijfelen en die positie te willen veranderen.

In zijn standaardwerk Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus heeft socioloog Max Weber geanalyseerd hoe ons begrip van ‘beroep’ langzaam is veranderd en hoe die verandering samenhangt met de ontwikkeling van het moderne kapitalisme.
Volgens Weber is de ‘kapitalistische geest’ een erfenis van de protestantse ethiek – die gebaseerd was op het idee van predestinatie. En die ethiek is een erfenis, niet van Luther, maar van Calvijn.
Predestinatie is de overtuiging dat wij mensen door God zijn voorbestemd voor hemel of hel en dat niets wat wij op aarde doen die bestemming kan veranderen.
Wanneer geen handeling of geloofsbelijdenis iets kan veranderen aan jouw hemel- of hellevaart, kun je jezelf alleen nog schikken in je lot en je tijd op aarde vullen met werken die Gods glorie verkondigen – ad majorem Dei gloriam. Daartoe is het echter nodig om je talenten en energie zo nuttig mogelijk in te zetten, in een verdeling van arbeid die het totaal aan productiviteit vergroot. En dan is het natuurlijk wel belangrijk welk vak je uitoefent, omdat jouw productiviteit niet in elk vak even groot zal zijn.
Dat is de basis van het kapitalisme en ons moderne idee van beroep. In de eeuwen na Calvijn gaan protestanten steeds meer benadrukken dat ledigheid ‘des duivels oorkussen’ is en dat de waarde van menselijke arbeid in een zo groot mogelijke opbrengst ligt. En geld, de manier waarop het kapitalisme die opbrengst meet, is daarom een graadmeter voor de wijze waarop jij bijdraagt aan Gods schepping (en misschien wel een teken dat die God jou voor de hemel heeft bestemd…).

In een half millennium is dit idee er bij ons, in het kapitalistische westen, zo ingestampt dat het zelfs de ontkerkelijking heeft overleefd. Weber stelt terecht dat het kapitalisme de protestantse ethische steunpilaar helemaal niet meer nodig heeft – binnen onze economische orde stelt iedereen zich voortdurend de vraag: hoe kan ik zo productief mogelijk zijn? Aleen gebeurt dat niet meer om Gods orde te verheerlijken, maar om zoveel mogelijk bij te dragen aan de markteconomie.

Paradoxaal genoeg heeft het verlies aan religieuze betekenis deze drijfveer nog versterkt: want nu wij de zin van het leven niet meer uit godsdienst halen zijn we meer dan ooit geneigd die zin in ons beroep te zoeken. Ons beroep is niet meer alleen een broodwinning, het is de plek waar onze talenten en wensen samenkomen met de waardering van anderen en de bevordering van het algemene. Samen met de romantische liefde is het beroep de plek waar, voor de meesten van ons, het leven zin moet krijgen. En daarom moet het beroep aan allerlei eisen voldoen die we vroeger alleen aan het koninkrijk Gods stelden: het moet de ultieme bestemming zijn, het permanente ‘thuis’, de plaats waar dromen werkelijkheid worden.

Gewoon buitengewoon
Jonge mensen hebben tegenwoordig torenhoge verwachtingen van hun leven – en dat wordt overal ook aangemoedigd: op school, door ouders, in de media…
Yes you can.
Dare to dream.
The Sky is the limit.

Je leven moet buitengewoon zijn en hetzelfde geldt voor het beroep dat je uitoefent.

Maar zijn dat wel zulke redelijke verwachtingen? En zulke goede adviezen?

Naar mijn mening valt ook veel te zeggen voor het tegendeel. Een gewoon doorsnee leven, gevuld met kleine, alledaagse ervaringen: daar is niks mis mee.

Het beste is mijn overtuiging verwoord door de schrijver van The Parent’s Tao Te Ching: Ancient Advice for Modern Parents, de Amerikaan William Martin:

Vraag je kinderen niet
naar buitengewone levens te streven.
Zo’n streven kan bewondering wekken,
maar het is de weg van domheid.
Help ze liever het wonderbaarlijke
en miraculeuze van het dagelijkse leven te vinden.
Toon ze de vreugde in het proeven van
tomaten, appels en peren.
Toon ze hoe ze moeten huilen
als huisdieren en mensen doodgaan.
Toon ze het oneindige plezier
in de beroering van een hand.
En laat het gewone voor hen tot leven komen.
Het buitengewone zorgt wel voor zichzelf.

Een gewoon leven is al buitengewoon genoeg – en verwondering is de kunst om in het gewone het buitengewone te ontdekken.

Het genieten van een appel of een peer, het beminnen van (en rouwen om) een dier of mens: het zijn tegelijk de gemakkelijkste en de moeilijkste dingen van de wereld.
De gemakkelijkste omdat we ze als kind al beheersen. De moeilijkste omdat iedereen ons wijs wil maken (and not in a good way…) dat er meer is – dat je groter moet dromen en doen. Dat het alledaagse leven maar saai is en dat je leven een groot avontuur zou moeten zijn. Dat het leven niet om deelnemen gaat, maar om winnen.

De Tao denkt daar anders over. En ik ook.
En zo denk ik ook dat je beroep helemaal niet je droombaan hoeft te zijn, maar dat je in elke baan kunt dromen. En dat jij niet je hart hoeft te volgen – laat het hart jou maar volgen.

In elk beroep kun je genieten van uitdagingen, kun je jouw energie kwijt en kun je lachen en huilen met collega’s. Sowieso zijn gewone mensen altijd al buitengewoon, als je ze leert kennen.

OIP.reiGcx9PNF3SumCINZtZNgHaHa

Ik ben er dus niet van overtuigd dat je beroep een vorm van roeping moet zijn. Dat je moet streven naar die ene, uitzonderlijke, positie waarin je talenten volledig tot hun recht komen en je diepste fantasie wordt waargemaakt. Een dergelijke verabsolutering van je levenskeuzes was nog begrijpelijk in een religieus kader, waar het om eeuwig leven ging. Nu werkt het averechts, vrees ik.

Laat de gewonen voor het gewone zorgen en het buitengewone voor zichzelf.