329. Waar uw schat is, zal uw hart zijn

Posted on Mar 24, 2021 in Blog, Featured, Uncategorized

329. Waar uw schat is, zal uw hart zijn

Vorige keer schreef ik over het begrip thuis, en hoe we het thuisgevoel kunnen versterken. Ik memoreerde daarbij aan tegelwijsheid ‘Home is where the heart is’ en kwam tot de conclusie dat we die spreuk ook kunnen omdraaien: ‘Heart is where the home is’ – wat zoveel wil zeggen als ‘ de structuur van het heim is de basis van het vermogen om lief te hebben, dus waar die structuur aanwezig is, waar je jezelf thuis voelt, daar kun je ook liefhebben. Daar zijn je geliefden en daar is je hart.

De uitspraak ‘Thuis is waar het hart is’ lijkt heel veel op een woord van Jezus in de bergrede, ‘waar uw schat is, daar zal uw hart zijn’ (in iets verschillende formuleringen bij Mattheüs en Lucas). Wat hij daarmee bedoelde, blijkt het duidelijkst uit de volledige passage bij Mattheüs:

Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Duidelijk is dat het hier gaat om een tegenoverstelling van aardse en ‘hemelse’ goederen – een paar regels later komt de beroemde uitspraak dat je niet God en Mammon tegelijk kunt dienen.

Nietzsche
Jezus’ woord zegt naar mijn mening ook iets belangrijks over ‘thuis’, maar om dat uit te leggen moet ik een omweg nemen. Via Friedrich Nietzsche, die het woord van Jezus citeert in het voorwoord van zijn Genealogie der Moral:

Wij zijn ons onbekend, wij kennenden, wijzelf aan onszelf: daarvoor bestaat een goede reden. Wij hebben nooit naar ons gezocht – hoe zou het dan kunnen dat we onszelf ooit konden vinden? Terecht heeft men gezegd: ‘waar uw schat is, daar is uw hart’; onze schat is, waar de bijenkorven van onze kennis staanWij zijn er altijd naar onderweg, wij geboren gevleugelden en honingverzamelaars van de geest, wij bekommeren onszelf eigenlijk maar om één ding – iets naar huis ‘mee te nemen’. Wat het leven verder aangaat, de zogenaamde ‘belevenissen’ – wie heeft daarvoor genoeg ernst? Of genoeg tijd? Bij zulke zaken waren we, vrees ik, nooit echt ‘ter zake’: we hebben daar nu eenmaal ons hart niet – en niet eens ons oor! Eerder zoals een goddelijk-verstrooide en in-zich-verzonkene, die de klok zojuist met alle macht de twaalf slagen van het middaguur in het oor gedreund heeft, plotseling wakker wordt en zich afvraagt ‘hoeveel heeft het net geslagen?’, zo spitsen we ons nu ook achteraf de oren en vragen verbluft, bedremmeld, ‘wat hebben we eigenlijk net beleefd?’ of beter ‘wie zijn we eigenlijk?’ en tellen, zoals gezegd achteraf, alle trillende klokslagen van onze belevenis, ons leven, ons zijn – ach, en vertellen ons daarbij… Wij blijven onszelf noodzakelijk vreemd, voor ons geldt voor altijd de spreuk ‘Ieder is zichzelf het verste’ – voor onszelf zijn wij geen ‘kennende’…

Ook hier gaat het om een tegenoverstelling tussen aardse en hemelse goederen, zou je kunnen zeggen. Nietzsche stelt dat we als bezige bijtjes steeds ‘honing’ verzamelen en onze blik voortdurend gericht hebben op zaken die we ‘mee kunnen nemen’. Onze aandacht is altijd elders, nooit bij onszelf en onze ervaringen. We verzuimen die ervaringen te koesteren, zodat ze tot zelfkennis zouden kunnen leiden – we weten niet wie we zelf zijn, omdat we niet naar onszelf zoeken, maar naar ‘uitwendige’ goederen, naar zaken die op te stapelen zijn in bijenkorven of andere pakhuizen. In die ‘warenhuizen’ liggen onze schatten, en daarom ook onze harten.

In Nietzsche’s werken komt bovenstaande tegenstelling vaker terug. In Menschliches, Allzumenschliches beschrijft hij het als een contrast tussen de activiteit van ‘doorsnee-doenenden’ als ambtenaren, kooplieden, geleerden en bankiers – die niet werkelijk als individuen werkzaam zijn, maar als ‘leden van een soort’ – en de hoge cultuurscheppende daden van waarlijk individuele mensen die zich aan een vita contemplativa (bezinnend leven) wijden:

Omdat de tijd om te denken en de rust in het denken ontbreekt, overweegt men afwijkende perspectieven niet meer: men genoegt zich ermee, ze te haten. Bij de ongehoorde versnelling van het leven raken geest en oog aan een half en vals zien en oordelen gewend, en ieder lijkt op de reizigers, die land en volk vanuit de trein kennen. (MA I, 282)

Tegenover de ‘mierenvlijt’ van deze ‘soort-wezens’ zet Nietzsche de voorzichtige en zelfstandige houding van de eenzame cultuurschepper. Wat deze cultuurschepper nodig heeft is vrije tijd, wat in het Duits zo mooi Muße heet, in het Latijn otium, en waarvoor wij het in onbruik geraakt woord ‘ledigheid’ hebben (dat alleen nog wordt gebruikt in de uitdrukking ‘ledigheid is des duivels oorkussen’). En dat is meteen weer een andere uitdrukking van dezelfde tegenstelling, denk ik: arbeid of productiviteit staat hier tegenover vrije tijd of rust.

In Die Fröhliche Wissenschaft schrijft Nietzsche hoe de ‘Amerikaanse’ haastige arbeid ook Europa heeft veroverd en hoe mensen zich langzamerhand voor ledigheid beginnen te schamen. Mensen denken ‘met het horloge in de hand’ en leven alsof ze ‘steeds iets zouden kunnen missen’ (denk ook aan ons moderne FOMO).

- men heeft geen tijd en kracht meer voor ceremoniën, voor de beleefdheid met omwegen, voor alle esprit in de omgang en hoe dan ook voor alle otium. Want het leven op jacht naar winst dwingt voortdurend de geest tot uitputting te legen, in het steeds zich anders voordoen of overlisten of voorkomen: de eigenlijke deugd is nu, iets in minder tijd te doen dan een ander.
(FW IV, 329)

Naar Nietzsche’s opvatting is met deze heerschappij van de jachtige arbeid de ware vreugde verdwenen. We kennen nu geen vreugde meer, er bestaat alleen nog maar het uitrusten van – en voor – de arbeid.

Ja het zou gauw zover kunnen zijn, dat men een neiging tot de vita contemplativa (dat betekent tot wandelen met gedachten en vrienden) niet zonder zelfverachting en een kwaad geweten zou volgen. – Wel! Vroeger was het omgekeerd: de arbeid droeg het kwade geweten mee. (idem)

En daarmee kom ik op mijn punt van ‘thuis’ – en de invloed van corona daarop.

In Nietzsche’s tijd zagen we al aanzetten tot een heleboel moderne verschijnselen en de doorbraak van ons moderne idee van productiviteit. Maar we kunnen wel zeggen dat iemands huis in de negentiende eeuw nog een plek van vrije tijd, van otium of ledigheid was – zoals de zondag nog een tijd van ledigheid.

In de nog steeds maar toegenomen versnelling van ons huidige leven zijn de zondag en de tijd na het werk – de Feierabend – al onderdeel van de neg-otium geworden, de tijd die niet vrij is. We doen boodschappen op zondag, we beantwoorden na het eten nog even de email van de baas of appen een collega. En deze ontwikkeling is door het thuiswerken tijdens corona nog versneld. Ons huis is nu een fulltime kantoor geworden – een school zelfs.

Ons leven is busy, busy, busy. We zijn bezige bijtjes, vlijtige miertjes, voortdurend onrustig en tegelijkertijd vermoeid. En die toestand van onrust is enorm verergerd door de coronacrisis, dunkt me – en de resulterende stress valt aan veel gezichten af te lezen.

Ik denk dat de pandemie deze ledigheidscrisis, die zijn oorsprong natuurlijk al eeuwen geleden had, duidelijker dan ooit zichtbaar heeft gemaakt – en ons de noodzaak heeft getoond die crisis te overwinnen. Want onze schat – en ons hart – kan niet op kantoor liggen, of in de winkel, of in een distributiecentrum.
Hoe waardevol werk ook is, het is geen plek waar ruimte is voor otium en vita contemplativa, voor wandelen met vrienden en gedachten, het is geen plek waar je in rust en stilte tot zelfkennis kunt komen. Eerder is het een plek om van jezelf weg te vluchten en jezelf te verliezen in wat je kunt verzamelen. In meer, meer, meer (in minder, minder, minder tijd).

Niets hiervan is natuurlijk nieuw of onbekend. Kranten staan al jaren vol van artikelen over burn out, stress, FOMO en allerlei verschijnselen die aan ‘busyness’ gerelateerd zijn. Wat mij cruciaal lijkt, echter, is dat deze zaken als symptomen van een ledigheidscrisis gezien worden – en dat het onvermogen om jezelf ledigheid en contemplatie te gunnen, om je bezig te houden met introspectie en zelfontwikkeling, de oorzaak van alle volle agenda’s en volle ziekenboegen is.

En bij de remedies tegen onze overspannen en uitgeputte samenleving zou in elk geval een herwaardering van de ledigheid moeten horen, en een bescherming van otium door die duidelijker van negotium af te grenzen. Door de (her)schepping van tijden voor ledigheid (een rustdag, de Feierabend) en plekken voor otium (het eigen huis, de natuur).

Er moet in ons leven een verschil blijven bestaan tussen arbeid en rust, net als tussen heilig en profaan. Zodat we de juiste schatten verzamelen en ons hart in de juiste dingen ligt.

En ons hart moet in ons huis zijn.