324. Ook dor hout kan vlam vatten

Posted on Feb 12, 2021 in Blog, Featured

324. Ook dor hout kan vlam vatten

Na een eendrachtig begin, waarin de meeste Nederlanders het motto ‘Alleen samen krijgen we corona onder controle’ leken te omhelzen, is onze respons op de pandemie steeds meer uitgelopen op een strijd tussen groepen.  Er zijn ‘corona-identiteiten’ ontstaan waarbij mate van slachtofferschap het voornaamste onderscheidende kenmerk is.  En waar groepen eerst nog solidair met elkaar waren (mensen van buiten de zorg klappen voor mensen in de zorg, mensen met minder risico op ziekte beschermen mensen met meer risico), staan de groepen nu tegenover elkaar in een strijd om vrijheid, welvaart en veiligheid.

Het meest pregnant werd de kwestie afgelopen lente geformuleerd door Telegraaf-columniste Marianne Zwagerman, wier term ‘dor hout’ intussen gevleugeld is:

De emotie moet echt uit het #coronadebat. Het dorre hout wordt gekapt, misschien een paar maanden eerder dan zonder virus. Moet iedereen die nog in de bloei van zijn leven zit daar alles voor opofferen?

Wat genuanceerder is de tegenstelling tussen dor en bloeiend de laatste maand gebruikt door mensen als Sylvain Ephimenco, Marli Huijer en Boudewijn Chabot, die er ook een pleidooi voor de bloeiende jeugd en tegen de dorre ouderdom uit haalden. Volgens hen moeten de extra levensjaren (of -maanden) van bejaarden niet ten koste van alles worden nagestreefd – en ze vinden dat de huidige prijs, van economische schade bij ondernemers tot leerachterstanden bij kinderen, al te hoog is.

Tussen de behartenswaardige dingen die de critici van de corona-aanpak te melden hebben (accepteer dat de dood bij het leven hoort, laat angst niet je leven bepalen) vallen me twee dingen op, als je hun argumenten leest:

1. Elke tegenstelling tussen kwetsbare en niet-kwetsbare mensen verkruimelt als je naar de details kijkt. Ten eerste is het niet zo dat de tweede groep, van mensen die een offer brengen, zoveel groter is dan die van de mensen die hiervan profiteren. Als we bedenken dat er jaarlijks zes miljoen mensen een griepprik krijgen, dan is dat al meer dan eenderde van de bevolking. En dan gaat het nog voornamelijk om mensen die een vooraf geschat risico op voortijdig overlijden lopen – als we iedereen meenemen die door een vrije verspreiding van Covid-19 risico zou lopen op een zwaar ziekbed met lange termijn-gevolgen, dan krijgen we er ongetwijfeld miljoenen bij. (Er zijn tienduizenden, voorheen gezonde jonge mensen die door corona geen schim meer van zichzelf zijn.) Kortom: die ‘kwetsbaren’ waarvoor zo’n grote offers worden gebracht, dat is waarschijnlijk de helft of zelfs de meerderheid van alle Nederlanders. En die mensen hebben natuurlijk ook nog allemaal naasten, die door hun ziekte en/of dood zwaar getroffen zouden worden. Je kunt je dus afvragen of met ‘kwetsbaren’ en hun naasten niet de gehele bevolking is ingesloten.

Wat verder ook duidelijk is geworden, na elf maanden corona-maatregelen over de hele wereld: nergens heeft iemand ook maar een enkel serieus plan verzonnen om kwetsbaren en niet-kwetsbaren van elkaar te scheiden. Dus het lijkt me duidelijk: of we doen het volgens het principe ‘een voor allen, allen voor een’, of we doen het helemaal niet en zien toe hoe corona de samenleving verwoest.
2. Ondanks dat een grens tussen ‘bloeiend’ en ‘dor’ dus niet te trekken valt, lijkt het op een bepaalde manier toch billijk als oude mensen zichzelf opofferen voor jongeren. Dat is simpelweg (evolutionair) gezond verstand. Ouders wegen altijd hun eigen belang af tegen dat van hun kinderen, en de belangen van de kinderen onderling. En soms kiezen ouders (en grootouders) ervoor om zich op te offeren voor hun nageslacht, simpelweg omdat daarmee ze daarmee de kans vergroten dat hun genen ook in de toekomst blijven voortbestaan.
So far so good.
Echter: wanneer we de aloude regel ‘ouderen offeren zich op voor jongeren, niet andersom’, vertalen in ‘ouderdom is dor, jeugd is bloeiend’, dan valt daar wel wat tegenin te brengen. En niet alleen omdat ‘de bloei van het leven’ van oudsher niet als aanduiding van de jeugd, maar van de volwassenheid wordt opgevat.

Zandloper
Wanneer we jeugd de voorkeur geven boven ouderdom, verdedigen we dat vaak als volgt: de jongere heeft nog een leven voor zich, de oudere een paar maanden tot een paar jaar – dus is het logisch als onze maatregelen meer rekening te houden met die pakweg zestig jaar die de ene partij nog te goed heeft dan met de pakweg zestig maanden van de andere.
We meten de waarde van een mensenleven dan af volgens een kwantitatieve maatstaf: verwachte tijd van leven.

Op het eerste gezicht klinkt dit redelijk: wie jong is heeft meer tijd en dus meer mogelijkheden.

Het beeld dat bij dit idee past is dat van de zandloper.
Wanneer de meeste korrels boven in de zandloper zitten, heb je nog veel tijd. Als je veel tijd hebt, heb je veel mogelijkheden om na te gaan, veel strategieën om uit te proberen. Veel ruimte om fouten te herstellen en om alternatieven uit te proberen.
Veel vrijheid.

In dit perspectief neemt je vrijheid af bij het verstrijken van de tijd: wanneer er nog maar een paar zandkorrels bovenin zitten heb je geen kans meer nog dingen uit te proberen of fouten te herstellen.

Echter: wanneer vrijheid het hebben van mogelijkheden is, kun je de hele zaak ook omdraaien: wie veel mogelijkheden, veel alternatieven, kent, die heeft – daardoor – ook veel tijd. Vrijheid schept dan tijd, in plaats van andersom.

Voor deze vrijheid, die tijd schept, is helemaal niet zoveel nodig.
Nieuwe mogelijkheden kun je overal en altijd scheppen. Verrassing en vernieuwing ontstaan namelijk automatisch waar een mens handelt en waar mensen bij elkaar komen.
Want mensen zijn vrij.

Wat betekent het te zeggen dat mensen vrij zijn?
Van mensen kunnen we altijd het onverwachte verwachten. Ze kunnen altijd iets nieuws beginnen, een initiatief nemen, iets starten dat niet voorzien was – niet door anderen en niet door henzelf. Want geen mens kent zichzelf goed genoeg om uit te kunnen sluiten dat hij of zij het volgende moment iets zal beginnen. En we weten al helemaal niet wát dat nieuwe zal zijn.
In die nieuwe, spontane actie toont zich de handelende persoon – en wordt die geopenbaard als een uniek en onderscheiden mens.

Er is een mooie uitspraak van de Griekse filosoof en historicus Ploutarchos: de geest is geen vat dat gevuld moet worden, maar een vuur dat ontstoken moet worden. Voor ‘geest’ kunnen we ook lezen ‘ziel’ of ‘leven’ (twee begrippen die vaak uitwisselbaar zijn gebruikt).

Een ziel of leven is iets dat ontstoken moet worden als een vuur. En dat ontsteken gebeurt door een ander. Of beter: door mensen samen.

Wanneer mensen elkaar ontmoeten en met elkaar communiceren start iemand iets – zegt iets, doet iets – dat wordt opgenomen in het grote web van menselijke handelingen en verhoudingen. En daar verandert het in iets dat door niemand, laat staan de starter, kon worden voorzien. Het lijkt op de vleugelslag van de vlinder die een storm veroorzaakt aan de andere kant van de oceaan.

Het onvoorzienbare van menselijk contact schuilt in de vrijheid van de mensen die het initiatief overnemen en daarin hun eigen keuzes maken. Die keuzes kunnen misschien worden beïnvloed, maar nooit gestuurd. Ze kunnen misschien statistisch worden ingeschat (Big Data!), maar nooit met zekerheid voorspeld.
Ik start iets, maar ik schrijf niet voor wat jij met mijn actie doet. Ja, eigenlijk weet ik pas wat ik ben begonnen, als ik zie hoe jij, en vervolgens anderen, ermee aan de slag gaan. Eerder is mijn actie maar een slag in het luchtledige geweest. Pas als ik zie hoe jij mij begrepen heb, weet ik zelf wat ik bedoeld heb.
En wie ik ben.

In dit licht is er geen reden het leven van een jongere te prefereren boven dat van een oudere. Het gaat erom of iemand zich gedraagt als een vuur dat ontstoken moet worden. En dat op zijn beurt andere vuren aansteekt. Mogelijkheden creëert. Vrijheid vergroot. Tijd schept.
En deze zaken kunnen ook door een oudere worden waargemaakt, en of dat gebeurt is niet afhankelijk van de hoeveelheid tijd die iemand gegeven is. Een vonk heeft maar een moment nodig om een vuur te doen ontvlammen.

Ik denk: als we keuzes moeten maken in deze pandemie en als we maatregelen en gevolgen tegen elkaar willen afwegen, dan moeten we niet een puur kwantitatief criterium – jong gaat voor oud – tot uitgangspunt nemen. We kunnen dan beter kijken naar de maatstaf van potentie, van mogelijkheid, en ons afvragen: beknot deze maatregel de vrijheid van mensen door hun vermogen tot actie, tot vernieuwing, verrassing en creativiteit in te snoeren?
Waar dat gebeurt (bijvoorbeeld waar demente bejaarden hun geliefden niet meer mogen zien, of waar een docent geen persoonlijk contact kan hebben met een leerling): weg met de maatregel! Waar dat niet gebeurt (het weren van publiek bij sportwedstrijden, het online verkopen van alledaagse zaken): jammer maar helaas.

Dus. Aangezien en leven geen hol vat is dat gevuld moet worden, is het ook niet belangrijk hoe groot dat vat is.
Ons leven is vuur. En daarbij is het belangrijk hoe ontvlambaar het hout is, niet hoe oud.
Ook dor hout kan vlam vatten. En doorgeven.