320. De zanger maakt de held

Posted on Jan 13, 2021 in Blog, Epos, Featured

320. De zanger maakt de held

Eerder begon ik mijn analyse van heldenverhalen met de epen van Homeros en concludeerde daarbij dat de Griekse bard ons twee onsterfelijke erfenissen heeft nagelaten: de objectiviteit van heldenverhalen en het prototype van de held in het portret van Achilles. Er was echter een derde nalatenschap verborgen in de Ilias en de Odysseias, die ik nog niet heb genoemd.

De derde les van Homeros is eigenlijk verstopt in de andere twee lessen: omdat de Homerische werken ‘objectief’ zijn (en geen lofzangen) en omdat ze over de daden van helden als Achilles en Odysseus gaan, blijft de schepper erin verborgen. Bij Ilias en Odysseias is de schepper zelfs zo onzichtbaar dat er sinds het samenvoegen en op schrift stellen van de twee epen een discussie woedt over de persoon van de maker – en over de betekenis van ‘maker’ in dit geval.
Over die maker valt echter veel te vragen en te zeggen.

De belangrijkste vragen rond Homeros zullen wel nooit definitief te beantwoorden zijn. Of er echt een Homeros geleefd heeft, en wanneer, en waar precies. Of Homeros de zanger van de epen was, of eentje in een lange rij van zangers; of de schrijver; of meer een soort van samensteller. Of er een enkele Homeros was die verantwoordelijk was voor zowel Ilias als Odysseias, of twee verschillende dichters.

Maar een ding staat vast, en dat is wat voor mij hier het belangrijkste is: Homeros zong over zijn helden, niet voor zijn helden. Anders gezegd: zeer waarschijnlijk werd hij voor zijn recitatie betaald, maar niet door Achilles en Odysseus.

Dat klinkt nu als een flauwe gemeenplaats, maar dat is het niet, omdat er in het oude Griekenland een uitgebreide lijst van literaire genres bestond die heldendaden memoreerden: grafschrift, lofzang, epigram (bij een standbeeld), lofrede, jubelende uitroep en ode. De meeste van die heroische werken werden in opdracht gemaakt – in opdracht van de helden zelf (of hun nazaten).

Unknown

De laatste twee vormen van lofprijzing, jubelende uitroep en ode, werden geschreven en opgevoerd ter ere van een sportieve overwinning in een van de grote Griekse ‘spelen’: de Olympische (die sinds 1896 weer bestaan in een moderne versie), de Pythische, de Istmische/Korinthische en Nemeische. Winnaars van de verschillende onderdelen werden niet alleen toegejuicht en gekranst (met respectievelijk olijfbladeren, laurierbladeren, pijnboombladeren en selderiebladeren), maar ook toegezongen. Wanneer dat ter plekke in een korte lofzang gebeurde, was het een overwinningshymne; wanneer dat bij thuiskomst (of soms lang daarna) in een lang, gezongen en gechoreografeerd gedicht gebeurde, noemden de Grieken het een Epinikion (letterlijk een ‘bij de overwinning’).
Een Epinikion werd opgevoerd door een getraind koor, dat in een cirkel bewoog en in drie achtereenvolgende regels nu eens de ene kant op ging, dan de andere, en dan stilstond.

Strijd
Wanneer wij moderne mensen de oude lofzangen lezen, komen ze nogal vreemd over. Ten eerste menen wij een kloof te zien tussen de verheven toon van de gedichten en hun thema: een overwinning in een eenvoudige hardloop- of bokswedstrijd. Ten tweede constateren we tot onze verbazing dat de werken doorgaans maar voor een heel klein deel over de sportieve prestatie gaan en vervolgens (of eerst) uitweiden over de afkomst van de winnaar, zijn geboorteplaats en de mythes die met geslacht of polis samenhangen. Nergens lezen we iets over het verloop van de strijd, de hele sportieve krachtmeting lijkt maar een voorwendsel om een gedicht te schrijven over iets heel anders.

Indruk 1 maakt duidelijk hoe ons begrip van sport verschilt van het klassieke Griekse idee. Indruk 2 is in zekere zin juist, maar wordt pas veelzeggend in het licht van een ander, ouder, begrip van atletische wedijver.

‘Sport’ is eigenlijk niet een juiste benaming voor wat Grieken tijdens de bovengenoemde Panhelleense (voor alle Grieken) Spelen deden.
Ons idee van sport is dat van een spel waarbij winnen leuk is, maar meedoen belangrijker. Dat is de geest van de moderne Olympische Spelen, maar beslist niet van de oude. Winnen was alles voor de Grieken – daarom waren er lauwerkransen voor de winnaars en geen prijs voor nummer twee en drie. Sterker nog, verliezen was een schande. In zijn achtste epinikion voor Olympische winnaars (Ol. VIII) schrijft Pindaros wat verliezers wacht:

de gehate thuiskomst, de onterende tong,
het geheime paadje
.

Ons woord ‘sport’ komt van het Oudfranse ‘desport’, vermaak of recreatie. Het Griekse woord (niet: equivalent) was agon, een woord dat heel andere betekenissen heeft: strijd, worsteling, gevaar, angst. (Die laatste connotaties komen terug in onze moderne woord agonie.)

Unknown-1

De Griekse ‘sporten’ kwamen allemaal uit de militaire sfeer en het voert niet te ver om ze allemaal als een soort van training voor oorlog te zien. Hardlopen (later ook wel in wapenrusting). Boksen. Discus- en speerwerpen. Verspringen. Wagenrennen. Paardenrennen.

Voor Grieken was er een rechtsreeks verband tussen oorlog en agon – beide deed je voor je polis en voor de eer, niet voor geldelijk gewin (laat staan om door een ander ‘team’ geldelijk beloond te worden, zoals onze moderne sporters.
‘Voor de polis en de eer’, dat was het impliciete motto dat oude sporters bezielde. Het hoogste wat een man (alle sporters – en soldaten – waren mannen) kon bereiken was dat het de goden hem gunstig gezind waren in een bepaalde vorm van agon en dat de polis zijn lof zong. In de woorden van Pindaros:

Twee dingen slechts
zorgen voor de zoetste genade in het leven
tussen de weelderige bloemen van rijkdom, -

Als een man iets goeds overkomt en zijn goede naam gesproken hoort.
(Isth. V)

Of:

Alleen de glorie van roem die ze nalaten

Verkondigt iemands’ levenswijze, als ze sterven,
in geschiedenis en lied

(…)

Goed fortuin is de beste en eerste prijs,
Een goede naam het tweede bezit:
De man die beide bezit en behoudt
Heeft de hoogste krans gewonnen.

(Pyth. I)

Die goede naam krijg je echter niet vanzelf, ook niet na een zege in oorlog of wedstrijd. Voor een goede naam is een lofzang nodig:

Alles dorst naar het een of ander,
Maar atletische zeges beminnen het meest een lied,
de beste begeleider van krans en kracht.

(Nem. III)

En waar komt die lofzang vandaan? Natuurlijk van de goddelijke Muse, maar dan via de betaalde lofzanger. Er was een tijd, herdenkt Pindaros in zijn tweede Isthmische Ode, dat de Muze “niet inhalig was of voor geld werkte”, maar die tijd is voorbij. Nu herinnert ze zich het gezegde van Aristodemos

‘Geld, geld maakt de man’, zei hij
Wanneer hij zijn bezittingen en vrienden verloren heeft,
– wel, je bent wijs.

Pindaros was niet de eerste lofzanger die geld kreeg voor zijn werken, dat begon misschien een halve eeuw voor hem met Simonides. Maar hij was de beroemdste en succesvolste dichter, die door de hele Griekse wereld reisde en overal welkom was om aristocratische overwinningen te prijzen.
(Er zijn trouwens ook voorbeelden waar de odes met kritiek gelardeerd zijn, dus het is niet zo dat Pindaros zijn roem louter aan welgevallig geslijm te danken had. Er moeten wat pijnlijke momenten aan gasttafels zijn geweest, wanneer een koor de betaalde lofzang opvoerde en de opdrachtgever plotseling op niet mis te verstane wijze de les werd gelezen – waarschijnlijk zonder dat Pindaros daarbij aanwezig was, overigens, want meestal liet hij zijn epinikion door iemand anders instuderen.)

Zelfbewust
Hoewel een paar van de epinikia van Pindaros in hun lange mythologische uitweidingen een episch gevoel opwekken, mag het duidelijk zijn dat lofzangen geen simpele heldenverhalen zijn. Daarvoor plaatst de zanger zichzelf te vaak in het middelpunt. In sommige werken bedelt hij om geld, in andere rekent hij af met rivalen, in weer andere blaast hij de loftrompet over zichzelf. De dichtkunst, de Muze, de lyra, het eigen hart: ze worden allemaal toegesproken. Pindaros kondigt aan wat hij wil bezingen; wat hij niet wil bezingen; in Pyth. XI beschrijft hij hoe hij zich midden in een lange mythologische passage moet losrukken om de winnaar van de jongens-race te prijzen.

Geen dichter is zich meer bewust van zichzelf dan Pindaros. En van zijn waarde. Immers, zonder dat een zanger iemands daden vastlegt, worden ze gauw vergeten:

Zelfs daden van hoge moed
Hebben een grote duisternis als ze zang ontberen;
We kunnen een spiegel ophouden voor fijne daden
op slechts een manier,
Als met de hulp van Mnemosyne in haar glanzende kroon
Een vergoeding is gevonden voor de inspanningen
In woorden van vermaarde gezangen.
(…)
De rijke en de arme man komen samen
bij de grens van de dood.
Maar ik beweer dat de naam van Odysseus
meer betekent dan zijn lijden
Vanwege Homeros’ zoete gezang.

(Nem. VII)

Is dit al een (vanwege zijn plechtige toon wat versluierde) reclamespot voor lofdichters, in de daaropvolgende regels gaat Pindaros nog verder. Hij suggereert dat lofdichters niet alleen roemvolle daden uit de duisternis kunnen bevrijden, maar dat ze ook duistere daden licht kunnen maken, of lichte daden duister.

Want op zijn onwaarheden en leugens
Ligt een grootheid.
Kunst versluiert en bedriegt met zijn verhalen,
En vaak is het hart van de menselijke kudde blind.

Zangers als Homeros vertekenen moedwillig de boel, stelt Pindaros. Homeros heeft van Odysseus de grote held gemaakt, terwijl Ajax eigenlijk de dapperder strijder was. Maar Odysseus gaat de geschiedenis in als een listige en succesvolle aanvoerder, terwijl Ajax te boek staat als een waanzinnig geworden dommekracht.
Alles door een zanger.

Nergens in deze of in een andere ode blijkt dat Pindaros vraagtekens zet bij de macht van de lofzanger. Wij kunnen dat echter beter maar wel doen.

De macht van zangers (reclamemakers, propagandisten, pr-adviseurs, spindoctors) om helden te scheppen (of helden af te breken) is groot. En wij leven in een maatschappij waarbij altijd iemand betaald wordt om een bepaald heldenverhaal te schrijven, en niet zelden wordt dat schrijven betaald door de held zelf – of dat nu een sporter, een politicus, een muzikant, een acteur of een rechtspersoon als een bedrijf is.
En als we, indachtig Pindaros, kritisch naar de verhalen van de epos-dichter moeten kijken, hoeveel kritischer moeten we dan zijn bij de lofzanger.
Want geld maakt de lofzanger, en de lofzanger maakt de held.