309. Spelen met de dood

Posted on 19 okt 2020 in Blog, Featured, Uncategorized

309. Spelen met de dood

Vorige keer schreef ik op deze plek over het begrip sentiment, wat in onze tijd overdreven gevoel is gaan betekenen. Ik memoreerde hoe meegesleept worden door je gevoelens iets van alle tijden is – en hoe in onze cultuur, in elk geval sinds Plato, denkers steeds hebben geprobeerd om die overmacht van de emoties te beteugelen.

Filosofen na hem zagen steevast in rationeel denken het middel bij uitstek om je niet door emoties te laten overheersen – een plausibele, maar uiteindelijk incorrecte gedachte.

Waarom de ratio de emotie niet kan bedwingen heb ik eerder uitgelegd:

1. Natuurlijke evolutie heeft ontdekt dat het voordelig is bepaalde voorgeprogrammeerde instellingen te hebben waardoor we beter met vele situaties kunnen omgaan en niet van geval tot geval hoeven te beredeneren welke handeling het meest gunstig uit zal pakken. Het is goed dat emoties in sommige situaties onze respons regelen: dat scheelt veel tijd en moeite.
Veelal worden wij aangestuurd door onze emoties, en dat is ook goed. Het zou niet opschieten als onze ratio zou kunnen sturen hoe de emoties ons aansturen: dat zou alleen maar tot een eindeloos heen en weer leiden, als in een achtbaan van oordeelsvorming, waar nooit een beslissing uitkomt. En sterker nog: we weten uit neurologisch onderzoek dat mensen die vanwege een hersenbeschadiging geen emoties voelen, helemaal geen beslissingen meer kunnen nemen. Wanneer ze bij elke keuze niets anders kunnen doen dan voors en tegens tegen elkaar afwegen, wanneer de emoties geen motivatie meer leveren, is er ook geen reden meer om te handelen.

2. Emoties zijn ook vormen van communicatie. En wil die communicatie waarachtig en betrouwbaar zijn, dan moet het moeilijk en kostbaar zijn om emoties te faken.
Ik kan gemakkelijk een lach veinzen, als teken van vrolijkheid, maar mensen onderscheiden doorgaans feilloos een nep-lach, die alleen rond de mond speelt, van een echte lach, waarbij ook kleine spieren rond de ogen meedoen – en die op echte vreugde wijst. Die kleine spiertjes kan ik niet bewust controleren, net zomin als de bloedvaten die mij laten blozen of juist wit laten wegtrekken.
Als onze ratio, uit berekening, gemakkelijk emoties kon faken, dan zouden we veel minder goed met elkaar kunnen communiceren, omdat dan heel veel kleine signalen niet betrouwbaar zouden zijn en niet gebruikt kunnen worden.

Er zijn dus goede redenen waarom emoties niet rechtstreeks door het redelijke denken aangestuurd kunnen worden. Toch is het belangrijk dat emoties tot op zekere hoogte te temperen zijn en dat we niet verder door hen worden meegesleept dan nodig is.
Bang zijn bij de aanblik van een tijger is nuttig. Verlammen van angst zodat de tijger ons gemakkelijk kan grijpen is dat niet.

Hoe moeten we dan onze emoties ’trainen’, zodat we ze tot op zekere hoogte ‘de baas’ kunnen worden? Of, anders bezien: hoe maken we van een kind dat door verdriet of angst overweldigd wordt een volwassene die met die emoties kan omgaan?

Voorbeeld doet volgen
Psycholoog Jonathan Haidt heeft voor de verhouding van emotie en ratio (en breder, van intuitief en systematisch denken) de verhelderende metafoor van de olifant en de rijder bedacht. De olifant is het intuitieve, emotionele denken – jazeker, emoties zijn ook een vorm van denken – en de rijder de ratio die meestal door de veel sterkere emoties wordt meegesleept, maar die de koers van die emoties soms een beetje kan beinvloeden. Hoe dan?

We hebben al duidelijk gemaakt dat de ratio niet, of in elk geval niet vaak, de emoties rechtstreeks kan aansturen. En gelukkig maar.
Dus hoe is de olifant dan bij te sturen?
Via anderen.

Onze emoties, ons intuitieve denken, is maar heel moeilijk via rationele argumenten te corrigeren. Omdat ze dat negeren, gingen en gaan zoveel filosofen (platonisten, skeptici, epicuristen, stoicijnen) de mist in.
Verrassend genoeg laat onze olifant zich gemakkelijk beinvloeden door andere olifanten (of preciezer: door andere combinaties van olifant en rijder).

Wanneer iemand mij ervan probeert te overtuigen dat ik B moet doen in plaats van A, dan luister ik daar (meestal) niet naar. Maar wanneer ik zie dat de ander B doet in plaats van A, wordt ik daar onwillekeurig door beinvloed.

Unknown

Zo nemen mensen zelden uitgesproken standpunten van elkaar over, maar blijkt gedrag intussen zeer besmettelijk – zozeer dat haat aanvaardbaar kan worden en begrip afkeurenswaardig (denk aan heksenjachten op Twitter).

Mensen volgen elkaar in hoe ze zich kleden, hoe ze praten, hoe ze reageren op situaties. ‘Modes’ bestaan in muziek- en haarstijlen, in stop- en scheldwoorden.
En dus in emoties.

Hoe fundamenteel gevoelens als woede, angst, afgunst, verdriet of liefde ook zijn, de manier waarop en de mate waarin ze tot uitdrukking komen zijn cultureel bepaald. In ons land wordt bij een begrafenis in stilte een traantje weggepinkt. In andere landen zou dat als een blijk van ongevoeligheid overkomen – daar wordt luid geweeklaagd, soms zelfs door ingehuurde professionele rouwers.
Bij voetbalwedstrijden leven mensen luidruchtig mee met hun team, bij een polowedstrijd wordt alleen beleefd geklapt.

In de huidige coronatijd woedt er een discussie of ons kleine coronaleed (geen kroegbezoek, zonvakantie of grootse bruiloft) heftige teleurstelling of depressie ‘waard’ is. Als uiterste standpunten gelden daar dat leed onvergelijkbaar is (en iedereen ‘recht’ heeft op het eigen leed) en – aan de andere kant – dat er een rangorde van leed is, waar hongersnood en oorlog hoger scoren dan niet naar een club kunnen gaan of je wekelijkse tenniswedstrijd missen. Bij sommige dingen mag je weeklagen, bij sommige alleen een zucht van teleurstelling slaken.

(Mij lijkt evident dat beide standpunten een deel van de waarheid, maar niet de hele waarheid vertegenwoordigen. Als elk leed even erg was, zouden we nooit kunnen zeggen dat een bepaald verdriet ongezond is – en dat is overduidelijk soms wel het geval. Anderzijds zijn rangordes van leed of geluk nooit volledig objectief – er moet ruimte bestaan voor een individuele lijst van waarden waaraan persoonlijke emoties worden gekoppeld. Emotionele kaders bestaan, maar we mogen de grenzen niet al te nauw trekken.)

Spelen
Of onze emoties uiteindelijk binnen de kaders van het betamelijke vallen, leren we dus grotendeels door naar andere mensen te kijken. Maar er is ook een persoonlijke manier van ‘emotioneel leren’ die minder van anderen afhankelijk is en toch een noodzakelijk deel van onze training vormt.

Die manier is die van het spel.

Ik heb in eerdere essays gememoreerd hoe belangrijk het spelelement voor de mens is – en hoeveel wij volwassenen daarbij kunnen leren van kinderen.

Kinderen spelen niet alleen om zich vertrouwd te maken met de ‘natuurkundige’ wereld (als ik nu eens niet het kleine blokje op het grote blokje stapel, maar andersom, wat gebeurt er dan) maar ook met de ‘psychologische’, die van menselijk gedrag en menselijke gevoelens.

Een bekend kinderspel is het jezelf inbeelden dat je alleen op de wereld achterblijft, bijvoorbeeld omdat de rest van je gezin is verongelukt. Hoe zou je jezelf dan voelen? Je stelt je het diepe verdriet voor, de angst, de radeloosheid.
Waarom doe je dit? Misschien om aan het idee te wennen dat iedereen dood gaat – en jezelf te wapenen tegen de mogelijkheid alleen achter te blijven. Je traint dan jezelf om je weerbaarheid te vergroten.
Zoals Seneca zegt:

Oefen verbanning, stormen, oorlogen, ziekten en schipbreuken, zodat je in tegenslagen geen beginner bent (samengesteld uit twee brieven uit Ad Lucilium Epistolae Morales).

Ik heb eerder aangegeven dat ik mijn twijfels heb over deze vorm van training. Het is namelijk maar de vraag of je jezelf goed kunt voorstellen hoe het is om schipbreuk te lijden of terminaal ziek te zijn. En het zwelgen in morbide fantasieen kan ook heel goed averechts werken, door een slechts (minuscule) theoretische kans op een ramp het gewicht van zijn emotionele gevolg te geven. En psychologisch onderzoek heeft aangetoond: we schatten de mogelijkheid van een gebeurtenis met grote impact steevast te hoog in, en een gebeurtenis met kleine impact te laag.
Met andere woorden: we wegen niet de mogelijkheid van de ramp zelf, maar de emotionele connotaties.

En toch doen mensen dit graag. Kinderen spelen dat hun ouders dood zijn. Volwassenen ‘spelen’ ook met dergelijke gedachten – alleen noemen ze het niet spelen, maar piekeren.
Spelen betekent dat de olifant een bepaalde kant op rent en de rijder zich gefascineerd mee laat voeren. Piekeren betekent dat de olifant rondrent en de rijder vergeefs probeert de route te bepalen.

Het zal duidelijk zijn: spelen is wat anders dan piekeren – het blijven hangen in een bepaald spel, als in een doolhof waar je niet meer uit kunt komen.

En daar zit hem denk ik de clou bij succesvol spelen: ik denk niet dat het doorlopen van een denkbeeldig doolhof zoveel verschil maakt bij het navigeren van een echt labyrint (ik weet het, dit zijn strikt genomen twee verschillende puzzels). Het echte doolhof zal altijd anders zijn en je moet je al helemaal niet voorstellen hoe het is om in een onpeilbaar doolhof vast te blijven zitten.
Maar. Als je je voorstelt hoe het is om rond te dwalen en weer uit het doolhof te raken, dan krijg je een gevoel van zelfbevestiging, van kracht, van optimisme, dat je later bij het echte doolhof zeer van pas zal komen.
Zoals ik eerder schreef:

Optimisme bouw je op door als uitgangspunt te nemen: tegenslag is maar tijdelijk (deze vervelende situatie komt ook weer tot een eind), komt van buiten (ik ben niet ziek omdat ik het verdiend heb) en is maar beperkt (pech in het spel, geluk in de liefde).
Hoop bouw je op door op concrete verbeteringen te hopen – niet zo maar in het wilde weg op een ideale toekomst of een reddende engel. Wanneer je hoop investeert in kleine, haalbare stappen, kan er een opwaartse spiraal ontstaan, een virtuous circle. Omdat je in het succes van je eerste stap gelooft, heb je ook de energie die stap te zetten. En als dat goed gaat, krijg je hoop dat de volgende stap ook haalbaar is. Waardoor je ook die weer durft te zetten, enzovoort.
Op deze manier verandert hoop (je startkapitaal) langzamerhand in vertrouwen – in winst. En samen zorgen optimisme, hoop en vertrouwen ervoor dat je in crisissituaties overeind blijft, sterker nog, dat een crisis het beste in je naar boven haalt.

Wanneer kinderen ‘spelen’ dat er iemand dood gaat, spelen ze niet dat ze door dat verlies in een neerwaartse spiraal zullen raken. Ze spelen dat ze dat verlies overwinnen. Het is voor hen een oefening in optimisme, hoop en vertrouwen, niet eentje in verdriet en wanhoop.
En dat is precies de training die leidt tot een ‘juiste’ verhouding van emoties – tot een gedresseerde olifant die niet met de rijder op hol slaat, maar hem/haar veilig van A naar B brengt.