270. Het verschil tussen held en koning

Posted on Dec 22, 2019 in Blog, Epos, Featured

270. Het verschil tussen held en koning

Vorige week besteedde ik aandacht aan een oud beeld, van een in duisternis gebouwde zaal waarin mensen zitten te eten en te drinken. Een beeld dat werd verwoord door de historicus Beda in de achtste eeuw en opgepikt door de dichter Stephen Dobyns twaalf eeuwen later.

Dat beeld is dramatisch en archetypisch. Het is het houten hutje in het bos, de eenzame iglo in de sneeuw, de yurt op de oneindige steppe. Het is beschaving omringd door – niet natuur, maar – wildernis.

Dit beeld van een voorpost van beschaving vinden we in alle populaire genres – duizenden jaren geleden en nu.
Vandaag wil ik het hebben over een werk waarin het beeld misschien wel dominanter en typerender is dan in welk ander werk dan ook, waarin de zaal in de wildernis voor ons gevoel het gehele werk samenvat. Zoals de Eifeltoren staat voor Parijs en Alle Menschen werden Brueder voor Beethovens Negende.
Dat werk is het Engelse epos Beowulf.

De gouden zaal
Beowulf is een gedicht in Oudengels, opgeschreven rond het jaar 1000, gebaseerd op een mondeling voorbeeld dat in de voorafgaande drie eeuwen ontstaan was. Het epos verhaalt hoe een zesde eeuwse held uit Zweden, Beowulf, het Deense hof van koning Hrothgar komt bevrijden van het monster Grendel.

Dat hof is gevestigd in een grote zaal of hal met gouden dak, genaamd Heorot,

een grote eetzaal, een huis groter
dan mensen op aarde ooit hadden gehoord.

Buiten die zaal, in de duisternis, woont Grendel, een monster, wiens huis de velden, veenlanden en moerassen zijn. Grendel is een afstammeling van Kaïn en vervuld van diens ressentiment. Het is niet zozeer dat Hrothgar het monster iets gedaan heeft, Grendel kan simpelweg de vreugde van de mensen in Heorot niet verdragen:

Het was met pijn dat de machtige geest
levend in duisternis die tijd verdroeg,
horend dat de hal dagelijks gevuld werd
met luid vertier.

Unknown

Elke avond dat in Heorot de vuren ontstoken worden, de harpen gestemd, de drinkhoorns gevuld, komt Grendel, vervuld van razernij, en grijpt een aantal krijgers om ze in zijn eigen hol te verslinden. Na een reeks overvallen besluiten de hovelingen de hal te verlaten en hun nachtrust elders te zoeken.
Twaalf jaar lang heerst Grendel ‘s nachts in Heorot, terwijl de koning en zijn raadgevers overdag zinnen op een uitweg, op een plan, op

wat het beste zou zijn voor de moedige Denen
om te bedenken tegen deze terreur-aanvallen.

De held
En dan komt Beowulf, vazal van de Zuid-Zweedse koning Hygelac, een held onder zijn volk van de Geaten en ‘onder alle mensen die in die tijd over de wereld liepen’ de sterkste, met ‘passende bouw en bloed’ (dat wil zeggen zijn moed was even groot als zijn lichamelijke kracht).

Beowulf wordt vergezeld door veertien metgezellen, jonge krijgers zoals hijzelf. Aangekomen in Heorot vraagt hij Hrothgar om toestemming zijn zaal te zuiveren van het kwaad. Hij kondigt aan, omdat Grendel zonder wapens komt, zelf ook van zwaard en schild te willen afzien.
Na een gastvrij en overvloedig banket geeft Hrothgar aan Beowulf het beheer van Heorot met deze woorden:

Niet sinds ik schild en zwaard heb opgenomen
heb ik op enig moment aan een man naast mij
Heorot overgegeven, zoals ik nu aan jou doe.
Heb en houd het huis van de Denen!
Richt je geest en lichaam naar deze taak
en waak tegen de vijand! Er zal geen gebrek aan gulheid zijn
als je levend de morgen haalt na deze test van moed.

De Denen verlaten vervolgens de zaal. Voordat de Geaten gaan slapen, ontdoet Beowulf zich van maliënkolder, helm en zwaard, en houdt de volgende toespraak:

Ik heb vertrouwen in mijn vechtkracht, mijn optreden in de strijd,
tenminste zoveel als Grendel in de zijne;
en daarom zal ik zijn leven niet kortwieken
met een zwaaiend zwaard – een te eenvoudige zaak.
Hij heeft niet de kunst me met gelijke munt terug te betalen,
tegen mijn schild te houwen, sluw als hij zich toont
bij zijn gemene vangsten. Nee, vannacht spelen we
zonder wapens – als hij me ongewapend in de strijd
tegemoet durft te treden.

Hier wil ik even stilstaan bij de wijze waarop Beowulf zich gedraagt. Het is beslist ridderlijk om je vijand, zo te zeggen, met open vizier tegemoet te treden – om van wapens af te zien en er een ‘eerlijk’ gevecht van te maken. En zeker, wanneer Beowulf in het daaropvolgende, schitterend beschreven gevecht, inderdaad zegeviert, is zijn roem terecht nog groter dan wanneer hij het monster bij binnenkomst het hoofd had afgehakt.
Maar wat als de Zweedse held gefaald had? Vooraf laat hij weten klaar te zijn voor de dood, mocht het God behagen zijn opponent de zege te gunnen. En ook dat is weer edel en ridderlijk. Maar het is ook erg egocentrisch, gezien het feit dat Beowulf hier niet in eerste instantie voor zichzelf vecht, maar voor Hrothgar en de Denen. En om de wereld te ontdoen van een gruwelijk monster.
Je zou ook kunnen zeggen: bij het uitschakelen van een monster doet fair play er niet zo toe, het gaat erom dat de wereld van het kwaad wordt bevrijd.

Uit Beowulf’s optreden blijkt dat hij zichzelf niet in de eerste plaats als een kampioen van de Denen ziet, maar als een op roem beluste held. Het gaat hem niet om tijdelijke veiligheid van het Deense hof en de omringend streek, maar om onsterfelijke faam nadat iedereen die in de gebeurtenissen deelt, allang dood is.

Beowulf toont zich op de eerste plaats maertha gemyndig (gericht op roemrijke daden), zoals Achilles op de eerste plaats naar klea andrion (de roemruchte daden van mannen) streeft.

In niets blijkt trouwens dat Hrothgar hem zijn roekeloze gedrag kwalijk neemt. Integendeel, de Deens koning houdt zich aan zijn woord en overlaadt Beowulf met geschenken.

Van held tot koning
Na de zege op Grendel is het epos niet ten einde. Allereerst verschijnt Grendel’s moeder op het toneel, om haar zoon te wreken. Beowulf rekent ook met haar af, alvorens terug te keren naar Hygelac.

Wanneer Hygelac sterft op een plundertocht bij de Friezen, neemt Beowulf de kroon over en regeert vijftig jaar als een wijze koning. Hij is nog steeds lof-geornost, verlangend naar faam, maar ook “de zachtmoedigste van mannen, de meest barmhartige, de hartelijkste”.

Als Beowulf de stap van vazal naar koning zet, kiest hij tegelijk voor een ander ethos, waarin niet meer persoonlijke roem maar het welzijn van zijn onderdanen voorop staat.

Die overgang is niet de individuele overgang van Beowulf alleen: het is tegelijk de overgang van een gehele cultuur van het heroïsche ethos naar het Christelijke.
Omdat het epos zoals het tot ons is gekomen een mengelmoes is – een sage uit het heroïsche tijdperk, veranderd in de tijd van de Britse kerstening en opgetekend door een Christelijke geleerde, zien we het ‘koninklijke’ ethos slechts af en toe doorschemeren. De koningen in ‘Beowulf’ streven naar het Christelijke koningschap, maar verstoten geregeld nog tegen die ‘nieuwe’ moraal. Beowulf zelf toont zich nog eenmaal ontvankelijk voor de heldhaftige arrogantie wanneer hij op het einde van het verhaal een derde monster, een draak, in zijn eentje tegemoet treedt. Opnieuw nobel, zeker, maar ook risicovol en roekeloos.

Dat zijn eenzame strijd misschien wat overmoedig is, blijkt ook uit het feit dat Beowulf alleen door de hulp van een schildknaap, Wiglaf, de draak weet te doden – en niet zonder zelf dodelijk verwond te raken.
De uitkomst van het gevecht kan zo nog net, in schaaktermen, als een plusremise worden beschouwd, maar het had ook net zo goed op een catastrofale nederlaag kunnen uitdraaien.

Overmoed
In het jaar 1000, wanneer het manuscript van Beowulf wordt neergepend, is de tijd van persoonlijke glorie voorbij: christelijke beschouwers zijn kritisch over de jacht op faam en het negeren van grotere belangen.

We zien dit bijvoorbeeld in een in dezelfde tijd geschreven heldendicht, De Slag van Maldon, over het verzet van een Engelse graaf tegen een Viking-inval. We hebben van dit gedicht een kort bewaard fragment (345 regels), waarin de dichter verhaalt hoe de graaf

in zijn overmoed zowaar grond aan de vijand liet,
wat hij niet zou hebben moeten doen.

Overmoed, (ofermode) is een woord dat slechts twee keer in Oudengelse werken opduikt. Een keer bij de karakterisering van graaf Beorhtnoth en een keer bij aartsengel Lucifer in het negende eeuwse gedicht Genesis.
Acht eeuwen later zal deze notie van overmoed, arrogantie, hoogmoed, trots, de basis vormen van John Milton’s epos Paradise Lost. Het is dan niet langer de nobele eigenschap van helden, maar de fout die Lucifer uit de hemel en Adam uit het paradijs zal stoten.
Tegen die tijd (midden zeventiende eeuw) zal de heroïsche geest van de Anglo-Saxen slechts nog een vage herinnering zijn. De heldenmoraal, intact van Achilles tot Beowulf, gaat in de duizend jaar van Heorot tot Milton door een Christelijke wasstraat, om er onherkenbaar uit te komen.

Over stadia van die wasstraat (het Saksische Heliand-epos, de Arthurlegendes) zal ik het een andere keer hebben.
Hier wil ik alleen benadrukken dat Beowulf en zijn epische nazaten duidelijk maken dat een held niet alleen voor zichzelf vecht en dat dit gevolgen heeft voor zijn manier van strijden.
Ook Aeneas vocht al niet voor zichzelf, maar voor het Romeinse volk, zoals ik eerder heb betoogd. Die overstap, van persoonlijke roem naar welzijn voor een groter geheel, is onderdeel van de stap van primair naar secundair epos.
Wat Beowulf hieraan toevoegt, is het idee dat een held, wanneer hij koning wordt, verplichtingen aangaat die zijn doel in het gevecht veranderen. Niet langer gaat het om fair play, het gaat om het resultaat. Het welzijn van zijn volk staat voorop, niet de faam van de koning.

Een echte koning slooft zich niet uit, he doesn’t show off, als dat het resultaat in gevaar brengt. Dat is de les van Beowulf, al heeft hij die les zelf moeizaam verworven en vergeet hij hem aan het eind van zijn leven weer.
De anonieme dichter van duizend jaar geleden heeft het echter voor ons vastgehouden.