250. Een deel voor het geheel

Posted on Jul 14, 2019 in Blog, Epos, Featured

250. Een deel voor het geheel

Eerder heb ik een onderzoek aangekondigd naar de rol en betekenis van heldenverhalen, en dan vooral met het oog op wat ze ons kunnen leren over de aanpak van moderne problemen.

Ik gebruik als belangrijkste analytische instrument in dat onderzoek een indeling van schrijver en literatuurwetenschapper C.S. Lewis.
Lewis onderscheidt twee soorten van heldenverhalen of epen:

Het primaire epos heeft geen richting, geen bedoeling. Het gaat nergens heen. Er is winst en verlies, geluk en ongeluk, maar aan het einde van het verhaal zijn we ongeveer waar we begonnen. Er verandert niets belangrijks – het primaire epos laat de dingen achter zoals het die heeft aangetroffen.
Het secundaire epos, daarentegen, heeft een idee van een betekenisvolle overgang, van een bepaalde toestand in een andere. Het verhaal gaat ergens heen, er zit een zeker ontwerp achter de gebeurtenissen.

In de indeling van Lewis begint het secundaire epos (niet in de zin van tweederangs, maar van volgend op het primaire) met Vergilius’ werk Aeneis. De eerste vraag van mijn onderzoek: betreft het hier een primair of secundair epos, is dus al beantwoord. Rest de (belangrijkere) tweede vraag: is het dan een verhaal waarmee we ‘verder kunnen’? Sluit het aan bij de huidige wereld, de actuele problemen, de verwachtingen, wensen en mogelijkheden van nu? Biedt het een uitweg?

Om deze vraag te beantwoorden moeten we nader naar de Aeneis kijken

Het Romeinse epos
Vergilius was niet de eerste Romeinse heldendichter – die eer gaat naar Gnaeus Naevius, die zo’n twee eeuwen eerder leefde (c. 270-201 v. Chr.), in de tijd van de Punische oorlogen (met het Carthago van Hannibal). Over die oorlog dichtte Naevius de Bellum Punicum, waarin hij de recente geschiedenis van Rome verbond met oude mythen. Vooral zijn koppeling van Rome en Troje, via de belevenissen van Trojaanse overlever Aeneas, is invloedrijk geweest.
Zijn navolger Quintus Ennius (c. 239-169 v. Chr.) vulde Naevius’ historische kroniek nog verder aan, door zijn Annales helemaal van de val van Troje tot aan het afscheid van Cato de Oudere uit de politiek (184 v. Chr.) te laten lopen.

Toen Vergilius aan zijn magnum opus begon, was duidelijk dat hij het voorbeeld van Naevius en Ennius zou moeten volgen om een echt Romeins epos te scheppen. Een ‘simpele’ kroniek, dus een heldendicht over Rome in chronische volgorde, was daarbij niet Vergilius’ doel – zijn voorgangers hadden daarvan al de mogelijkheden, maar ook de onmogelijkheden getoond.

Vergilius loste het ‘probleem’ van het secundaire epos op door een nationale mythe (de Trojaanse herkomst van de stichters van Rome) plaatsvervangend te maken voor de gehele Romeinse geschiedenis – zonder die, a la Ennius, uitputtend te behandelen.
Maar Vergilius deed meer: hij vertelde dit vrij korte en simpele verhaal op een manier alsof de gebeurtenissen eeuwen bestreken; hij liet het verhaal om enkele hoofdfiguren draaien, maar op zo’n manier dat het lot van hele volkeren erin tot uiting kwam; en hij plaatste het verhaal in een mythisch verleden, maar op een wijze dat de tussenliggende eeuwen leken te verdwijnen.

Zoals Lewis terecht opmerkt, nu lijkt de aanpak van het secundaire epos vanzelfsprekend. Je zou haast kunnen zeggen: hoe had hij het anders moeten doen? Maar dat het zo vanzelfsprekend lijkt, is louter en alleen omdat Vergilius deze oplossing heeft bedacht en op briljante wijze heeft uitgevoerd.

Voor een inzicht in Vergilius’ werkwijze hoef je slechts de eerste paragraaf na de inleiding de lezen:

Er is een oude stad, kolonie van Phoeniciers
en verre overbuurman van de Tibermonding en
Italië; Carthago, rijk en machtig, fel in strijdlust.
Juno – zo wordt verteld – beminde het meer dan welk land ook,
zelfs meer dan Samos. Hier had zij haar wagen staan, hier ook
haar wapentuig. Dat hier, indien het lot dat toestand, eenmaal
een wereldmacht zou groeien, was reeds toen een stille wens
van de godin. Maar dat ooit telgen van Trojaanse bloeden zouden verschijnen om Carthago’s burcht te slechten, was
haar ook bekend: een heersersvolk, vol oorlogstrots, zou zorgen
voor Afrika’s ondergang – dat was het plan van de Schikgodinnen.

In een handvol regels wijdt Vergilius hier uit – letterlijk: hij maakt het verhaal wijder in tijd en ruimte. Er is een oude stad, kolonie van Phoeniciers, een verre overbuurman van de Tibermonding, die eenmaal een wereldmacht zou worden, tot ooit telgen van Troje zouden verschijnen. En zo breidt de ruimte zich uit van Carthago en Rome tot Troje en Phoenicie, en de tijd van de Trojaanse tot de Punische oorlog.

En evenzeer is al duidelijk dat de strekking van het verhaal een andere is dan van de Ilias – over de wrok van Achilles – hoewel Vergilius in zijn inleiding expliciet aan Homeros’  opening refereert:

Ik bezing de heldenstrijd van de man die vanuit Troje
het eerst op Italiaanse bodem, bij Lavinium,
geland is – hij, een balling van zijn lot, steeds voortgeslingerd
langs aarde en zee, naar de wil van de hemel, omdat de felle wrok
van Juno duurde;
[...]
Muze, vertel mij nu, waarom de koningin der goden
zo diep beledigd was?

Ook hier wordt, net als in de Ilias, de Muze aangeroepen om te vertellen over een wrok – maar niet die van een man, over oorlogsbuit, maar van een godin, over een oude vijandschap – tussen Grieken en Trojanen, Juno en Venus – die een nieuwe vijandschap tussen Carthago en Rome zal inspireren. Het verhaal begint dus niet bij de aankomst van Aeneas in Carthago en eindigt niet als hij in Italië de ‘inheemse’ stammen verslaat. Het verhaal begint veel eerder en eindigt later, niet eens in de overwinning van Rome tijdens de tweede Punische oorlog, maar in de Pax Romana van keizer Augustus, nadat Vergilius’ persoonlijke vriend Octavianus in 27 v. Chr. de Romeinse burgeroorlog na de moord op Julius Caesar heeft gewonnen.
Want naar die burgeroorlog wijst Vergilius al vooruit. Expliciet in profetieën van oppergod Jupiter (boek I) en Aeneas’ vader Anchises (boek VI) – en het meest uitgebreid in afbeeldingen op een schild dat Aeneas van zijn moeder Venus krijgt (boek VIII). Op dat schild heeft haar echtgenoot Vulcanus de gehele Romeinse geschiedenis afgebeeld, van Romulus en Remus die door de wolvin worden gezoogd tot de zeeslag bij Actium, waar Octavianus zijn rivaal Antonius (en Cleopatra) verslaat.

Dit alles op Vulcanus’ schild, geschenk van moeder Venus,
verrukt Aeneas’ oog, hoewel de feiten hem ontgaan.
Zo wapent hij zich met de roem en toekomst van zijn zonen.

Gewapend met dit schild gaat Aeneas de beslissende strijd met de Italiaanse held Turnus aan – en het is hier dat Vergilius impliciet aan de burgeroorlog refereert, denk ik.

Aeneas weet de jonge, machtige held Turnus met een speerworp te verwonden. De gevelde Turnus smeekt vervolgens om zijn leven en Aeneas aarzelt inderdaad hem de genadeslag toe te brengen – tot hij ziet dat Turnus de zwaardriem van zijn vriend Pallas draagt, de buit van een eerder tweegevecht tussen beiden (echo van Achilles die de dood van zijn vriend Patroklos wreekt door diens overwinnaar Hector te doden).

Wanneer Aeneas deze buit ziet en wordt herinnerd
aan wreed verdriet, ontsteekt hij in felle woede en
roept dreigend uit: je denkt mij te ontgaan, jij, die zo pronkt met
de krijgstooi van mijn vriend? Het is Pallas die met deze wond
jouw leven offert, Pallas die misdadig bloed laat boeten!
en met dat woord laat hij het staal diep in zijn vijanden borst
verdwijnen, driftig. Kilte maakt diens ledematen slap.
Verbitterd, met een zucht, ontsnapt zijn ziel naar het rijk der schimmen.

Als ik me niet vergis, laat Vergilius hier doorschemeren dat hij Aeneas woedeuitbarsting betreurt, dat het beter was geweest als hij Turnus’ leven had gespaard en dat misschien door die wraakzuchtige daad een lange, gewelddadige geschiedenis van Italiaanse burgeroorlogen is gestart, die pas bij Actium is beëindigd.

Als mijn interpretatie klopt, wordt de betekenis van Vergilius’ held ook at duidelijker. Aan de ene kant is Aeneas een verbeterde uitgave van Achilles (die veel gemeen heeft met Turnus): hij vecht niet voor eigen roem, macht of zelfs de liefde van een vrouw, maar voor het oude Troje dat het nieuwe Rome zal worden. Hij is geen eenzame vechtmachine: is hij de stamvader van de Romeinen, hij staat voor een geheel, hij is de pars pro de toto.

In deze betekenis wordt de grootte van Aeneas en überhaupt van de Aeneis duidelijk. Het gaat in dit epos niet om de lotgevallen van een man, maar om de overgang van een oud rijk naar een nieuw, een oude tijd naar een nieuwe. Het primaire naar het secundaire epos.

Maar in Vergilius’s werk zien we ook de beperkingen van Aeneas. Hij is namelijk een verre van perfecte held, ondanks zijn moed en volharding. Niet alleen doodt hij Turnus in een opwelling, daarmee Italië veroordelend tot eeuwen van intern geweld; hij vergeet ook zijn lotsbestemming tijdens de episode met Dido, tot Mercurius hem aan zijn goddelijke opdracht herinnert. En opnieuw kunnen we hier tussen de regels doorlezen dat Vergilius Aeneas vergelijkt met die grote andere Romeinse held, keizer Augustus – die na de burgeroorlog vrede sticht en geen nieuwe (interne) oorlog begint en ook niet Rome voor een vrouw verraadt (zoals Julius Caesar en Marcus Antonius met Cleopatra, de nieuwe Dido).

Aeneas is een grote held, lijkt Vergilius te zeggen, maar we hebben moeten wachten tot vandaag, tot Augustus’ gouden tijd, op een held die Aeneas’ zwakheden heeft overwonnen.

En zo is de les van de Aeneis een dubbele: zeker, Aeneas is een grote held die aan heldendom een nieuwe dimensie toevoegt: die van het geheel, dat hij vertegenwoordigt. Maar die vertegenwoordiging moet bewust gebeuren, met oog voor verleden en toekomst, ook wanneer de goden ons niet elk moment door een persoonlijk bezoek of een onmiskenbare boodschap op het rechte pad houden.

Een instrument in de handen van de goden zijn is roemrijk. Jezelf tot een instrument van de goden – en de geschiedenis – maken is verheven (augustus).