146. De noodzaak van wandelen

Posted on 30 apr 2017 in Blog, Featured, Overlevenskunsten

146. De noodzaak van wandelen

Mijn favoriete boek over wandelen is The Songlines uit 1986, van de Engelse schrijver Bruce Chatwin. Het is een fictief verslag van een reis door het binnenland van Australië. Hoofdthema is een onderzoek naar het labyrint van onzichtbare paden die door Australische Aboriginals ‘de voetstappen van de voorvaders’ of ‘de weg van de wet’ worden genoemd, en door Europeanen ‘songlines’ of ‘dreaming tracks’.

Aboriginals geloven dat de totem-voorvader van elke soort zichzelf schiep van de modder van zijn oorspronkelijke waterpoel. Hij nam toen een stap en zong zijn naam, als opening van een lied. Daarna vervolgde hij zijn lied, terwijl hij rondtrok, de wereld scheppend doordat hij die zong: rotsen, heuvels, bomen, struiken, enzovoort.

81y0c4DGEHL

In een artikel uit 1989 zegt Chatwin dat hij het concept van de songlines wilde gebruiken “als een springplank om de aangeboren rusteloosheid van de mens te verkennen.” Want de mens is in zijn ogen in essentie een rondtrekkend, zingend wezen.

Dit is een fragment uit een documentaire waarin een stukje van een songline wordt gezongen:

Een grafische weergave van songlines is te vinden in Aboriginal kunst:

Unknown

of

Unknown

Een songline is tegelijkertijd een soort van kaart, een reisverslag, een gedicht, een scheppingsverhaal, een oorkonde en een encyclopedie van praktische kennis. Voor ons is het moeilijk te begrijpen hoe dit functioneert: het is alsof we een landkaart, de Odyssee, Genesis, een uittreksel van het kadaster en de Winkler Prins ineen hebben.

De duizenden jaren oude en ongebroken traditie van de Aboriginal songlines geeft ons inzicht in een manier van denken die ook onze eigen voorouders deelden.

Voor een voorouder was tijd en ruimte iets heel anders dan voor ons. Gegeven dat de (geesten van de) voorouders de wereld hadden geschapen door orde in chaos te brengen, moest deze scheppingsdaad voortdurend herhaald worden, wilde de wereld niet weer in chaos vervallen. Elke reis werd gemaakt vanuit een betekenisvol centrum (het graf van de voorouders of de plek waar het totemdier te vinden was, bijvoorbeeld) of ernaar toe – en een dergelijke reis was daarom ook altijd tegelijk een ritueel.
Ruimtelijk was de mens georiënteerd op een centrum, een middelpunt. En in zijn tijdsbegrip op herhaling.
Reizen – wat oorspronkelijk natuurlijk ook altijd wandelen inhield – was, ook als het voor een bepaald doel gebeurde, altijd meteen een vorm van pelgrimstocht.

Rond de tijd van het oude testament en de opkomst van de Griekse beschaving is onze cultuur deze oude wortels langzaam kwijtgeraakt. Ons tijdsbegrip werd (in fases, met versnellingen in Renaissance, Verlichting en Industriele Revolutie) lineair, dat wil zeggen dat we tijdsverloop voortaan zagen als iets met een begin en einde – een lijn die niet meer bij zijn oorsprong terugkeerde. Een reeks van unieke, onherhaalbare gebeurtenissen.
En ons ruimtebegrip veranderde ook. Kaarten zagen er voortaan zo uit:

Unknown

Nijmegen ligt wel in het midden van deze kaart, maar het is geen middelpunt meer, geen centrum van betekenis. Alles op deze kaart is even belangrijk en heeft hetzelfde ‘gewicht’ in de afbeelding (de hele kaart is op dezelfde schaal). Wij weten ook dat de kaart verder gaat buiten de randen en dat de wegen geen ‘bestemming’ meer hebben.
De wegen op deze kaart leiden niet naar Nijmegen (of naar Rome), ze leiden naar andere wegen. Die ook weer naar andere wegen leiden, enzovoort, enzovoort.

In onze ruimte is geen ‘heilig’ middelpunt meer en in onze tijd geen ‘heilig’ moment. Alles is even heilig, wat wil zeggen dat niets meer heilig is.

Maar een mens kan niet leven zonder verschil te maken tussen heilig en profaan, centrum en periferie. Tussen speciaal en gewoon, ’thuis’ en ‘elders’.
En daarom wandelt de moderne mens.

Het ommetje als ritueel
Wat doen we wanneer we op onze vakantiebestemming zijn aangekomen en ons hebben geïnstalleerd? We maken ‘een ommetje’ om de omgeving te verkennen. We maken een cirkelende beweging die bij terugkeer onze tijdelijke verblijfplaats als een ’thuis’ doet voelen. En we brengen door de wandeling de omgeving ‘in kaart’, zodat ook het landschap waarin ons nieuwe thuis gezet is, een beetje van ons wordt.
En een dergelijke herschepping van een omgeving, in een plek waar we ons thuis voelen, is nooit af. Hij moet altijd herhaald worden, om ons ervan te vergewissen dat de wereld om ons heen nog bestaat en niet in chaos is vervallen.
Daarom maken we op een zondagmiddag dat ‘ommetje’. Niet meer als expliciete pelgrimstocht, maar nog steeds als een soort ritueel. Een ritueel om ons de wereld eigen te maken. Om op een bescheiden wijze weer heilige (middel)punten te creëren, punten die orde in de chaos scheppen, die de wereld betekenis geven.
Allereerst natuurlijk ook ons eigen huis. Maar ook onze straat. De weg naar het werk. Het plantsoen waar we met de kinderen spelen. Het huis waar vroeger onze beste vriend woonde. De boom die elke lente bloesem krijgt.
Elke stap die we doen hebben we eerder gedaan en daarbij hebben we hetzelfde gedacht en hetzelfde gevoeld. Daarom is dit ons huis, onze straat, onze wijk. Door de herhaling.

We wandelen echter niet meer zoals onze voorouders. Ons huis is niet echt heilig, want we wonen er pas drie jaar en onze ouders liggen elders begraven. En de stuwwal die over de polder uitkijkt, is niet het werk van de Regenboogslang, maar van naamloze geologische krachten.
Wandelen is in onze maatschappij niet werkelijk religieus, het is eerder romantisch – een poging de omgeving en ons leven te hermythologiseren. Maar de betovering is onherroepelijk verbroken. We kunnen niet terug naar huis; echte – magische – herhaling van het verleden is niet meer mogelijk.

Heeft wandelen dan geen zin? Zeker wel. Wanneer we wandelen verhouden we ons vanzelf tot de horizon, die langzaam met ons meeschuift. Aan die horizon wisselen begrippen als ’thuis’ en ‘elders’ hun betekenis uit. ‘Vertrouwd’ en ‘vreemd’. ‘Mijn’ en ‘dijn’.
Een wandeling is een manier om het bijzondere en algemene, het bepaalde en onbepaalde, het eindige en oneindige te verbinden. Nabijheid met verte. Wonen met reizen.

Wandelen is altijd meteen ook een vorm van reflectie – niet in begrippen, zoals filosofie dat is, maar in ervaring. Het is een bezinning op wat kwijt zijn geraakt en op wie we niet meer zijn – maar ook op wat we nog wel hebben en wie we wel zijn.

Daarom moeten we dat ommetje blijven maken – om ons in die vreemde, oneindige wereld een beetje minder vreemd, een beetje meer thuis te voelen.
Wandelen is een noodzaak.
Wandelen is een overlevenskunst.